Casa Branca

Fernando senior helpt af en toe een handje in de tuin. Snoeien, wieden, sproeien, de natuur is veeleisend. De oleanders die ik in Nederland elk voorjaar weer trouw met pot en al naar buiten sjouwde, in de stille hoop dat ze eind september, vijf maanden later, althans één bloempje uit hun knoppen zouden persen, staan hier eind mei al in volle bloei. Gewoon in de grond. Ongeknakt godsvertrouwen is hier niet nodig, de zon doet het werk. Het schiet allemaal zó uitbundig de lucht in dat Fernando senior de handen vol heeft aan zijn handje.

Zijn grootste trots is het moestuintje. Die is in ons eerste jaar hier op zijn voorstel aangelegd. Maar ik moet helemaal geen moestuin! riep ik. Ik ben nu eenmaal uit een land afkomstig waar men van palmen en waanzinnig bloeiende oleanders droomt als men aan tuinen denkt, en waar de tomaten en de uien in de supermarkt liggen. Nu ja, een moestuintje dan, voor het gemak. Dat je de keuken uit kon lopen om zomaar, als je daar zin in had, een tomaat te plukken. Nog dezelfde dag had Fernando senior zijn moestuin aangelegd. Met tomaten en uien. Met knoflook en sla. In een ommezien was alles omhooggeschoten. Honderden tomaten en uien. Onafzienbare rijen met slakrop. Ongetelde tenen knoflook. Een mens zou vierentwintig uur per etmaal een estafetteloop van het fornuis in de keuken naar de moestuin moeten houden om die gigantische groentewinkel in zijn maaltijden te verwerken.

Maar Fernando straalde en dat maakte veel goed. Na elke hittegolf hing de tuin er uitgeput en verlept bij, de gladiolen hadden het opgegeven en de rozen puften, alleen de tomaten blaakten in opperste welstand, sappig en fris in het blad. Ze werden door Fernando vertroeteld en alleen aan de tomaten hadden we het te danken dat hij de tuinslang en de gieter af en toe verstrooid in de richting van de rozen en de oleanders afboog. Een boer heeft weinig op met nutteloze planten.

Het jaar daarna stelde Fernando voor om ook aardappels aan het assortiment toe te voegen. Als we die palm en die belachelijke struik weghakten lag er nog een mooi rechthoekig stukje braak. Aan de overkant van ons huis verbouwde Fernando zelf ook aardappels. Vanuit mijn raam zag ik zijn vrouw daar dikwijls aan het werk. In haar zwarte kleren stond ze over de aarde gebogen, van 's morgens vroeg tot 's avonds laat. Ik rekende Fernando voor hoeveel goedkoper een aardappel was in de supermarkt, vooral als je geen vrouw had die gratis het werk voor je deed. Ik ben nu eenmaal uit een land afkomstig waar de kost tegen de baat wordt uitgezet.

En telde hij die dure pesticiden wel mee? Fernando was, net als alle boeren hier, verslaafd aan verdelgingsmiddelen. Na elke regenbui zag je hem popelen om er opnieuw met de verstuiver tegenaan te gaan. Nee, het veldje met aardappelen kwam er niet.

Ieder voorjaar opnieuw kijkt Fernando weemoedig naar het lapje waar ze zo mooi hadden kunnen gedijen. Om zich vervolgens met een zucht tot de oneetbare rozen te wenden.