Weer draagt een film bij tot de mystificatie van de journalist; De overtrokken heroïek van het krantevak

The Paper. Regie: Ron Howard. Met: Michael Keaton, Glenn Close, Robert Duvall, Randy Quaid. In 12 theaters.

Ze zijn er genoeg, films die de een krantenredactie als decor gebruiken en de journalist als hoofdpersoon - van obscure tot heel beroemde als The Front Page en All the President's Men. Net zo min als films over ziekenhuizen een serieus idee geven van werk en leven van artsen en verplegend personeel, is het de krantenfilms gegeven een reëel beeld te schetsen van de dagelijkse gang van zaken op de redactie van een dagblad. En waar agenten en rechercheurs in politiefilms tot allerlei bovenmenselijks in staat blijken te zijn, bestaat er in krantenfilms een vergelijkbaar sterke neiging tot mysticifatie van de journalistiek. Zo gek is dat niet: ook veel journalisten houden de overtrokken heroïek graag naar buiten toe in stand.

Ook The Paper, de nieuwste in het genre, ontsnapt er niet aan. Journalisten slapen in hun kleren, liefst ter redactie, varen slechts wel bij herrie en haast en veel menselijks is hun vreemd. Ze leven voor hun vak, laten echtgenote, kinderen en/of ouders barsten, hebben een hang naar smoezelig nieuws en tegelijk een onberispelijk instinct voor fatsoen en ook de verslaggeefster met zwangerschapsverlof laat zich niet door haar buik in de weg zitten bij het veroveren van supergeheime informatie. De deadline is heilig, maar weer niet zo heilig dat deze zonder mankeren ineens uren overschreden kan worden om een primeur af te drukken. Kortom, het is maar gelukkig dat de vrolijke cineast Ron Howard met zijn gebruikelijke flair de regie van The Paper voerde. Nu kan veel onzin worden weggegrinnikt, terwijl een subtiel web van voor de collega's verzwegen persoonlijke drama's de nodige ernstige ondertoon verschaft en wat buitenjournalistieke diepgang verleent. Een deadline, is de boodschap, overkomt iedereen, ook wie zich verre houdt van het krantenvak. En het mooie van het scenario van David Koepp (die ook Brian DePalma's Carlito's Way op zijn naam heeft staan) is dat hij, met lak aan de wet van het algehele happy end, het merendeel van de personages geen uitzicht biedt op een oplossing. Het blijft modderen voor ze.

Coscenarist voor The Paper was David's broer Stephen Koepp, jarenlang redacteur bij Time en opgeleid bij een regionaal dagblad. Zijn invloed was zo te zien beperkt in de grote lijnen van het filmverhaal en de personages, maar het zal aan hem te danken zijn dat de cliché's en mythen worden gerelativeerd door een vracht aan, zonder mankeren zeer amusante, correcte details over journalisten en de sfeer op een krant. Alleen al de typen die de redactie van dit dagblad bevolken zijn subtiel getekend en onmiskenbaar ontleend aan de realiteit. Om er enkele te noemen: de oudere bureauredacteur die niet tegen grapjes kan en vooral zeurt over zijn declaratie en zijn gezondheid, de gearriveerde redactrice die er nauwelijks meer in slaagt om onafhankelijk verslag te leggen en boven haar stand leeft omdat ze al te graag wil behoren tot het milieu waarover ze schrijft, en ook de man die zo hartgrondig is gaan geloven in de journalistenmythen dat hij een doorgezopen mislukkeling is geworden die nooit meer een letter van belang optikt.

Veel baat vond The Paper bij de geraffineerd juist weinig verfijnde camera van de Australische Director of Photography John Seale. Hij zorgde ervoor dat de aalgladde charme waar andere films van Ron Howard soms aan ten onder gingen, reliëf kreeg en wat weerbarstiger werd. Voeg daarbij een stel geslaagde, droogkomische rollen van bijvoorbeeld Michael Keaton als de journalist met meer talent dan goed voor hem is, Robert Duvall als zijn hoofdredacteur en Spalding Gray als de superieure kwal die de hoofdredactie voert van een concurrerend, sjieker dagblad, en het is geen wonder dat The Paper een van de betere krantenfilms werd.