Turkse rel over 'obscene' kunst

De religieus fundamentalistische burgemeester van Ankara heeft twee beelden laten verwijderen uit een park die hij als 'obsceen' beschouwt. In Turkije is daarop de discussie over kunst en islam en de vrije kunstuiting als democratisch recht opgelaaid.

ANKARA, 15 JUNI. Heeft een burgemeester, ongeacht het feit dat hij van de religieus-fundamentalistische Welvaartspartij is, het recht om voor nationale zedenmeester te spelen? Dat is de vraag die steeds meer mensen in Turkije bezighoudt na het verwijderen onlangs van twee beelden uit een openbaar park in Ankara, die door burgemeester Melih Gökçek als zo obsceen werden bestempeld dat hij 'spuugt op dit soort kunst'

Net als Istanbul heeft ook Ankara sinds eind maart een religieus fundamentalistische burgemeester. Tayyip Erdogan van Istanbul kondigde onmiddellijk aan opruiming te zullen houden in de theaters. Volgens hem worden er nog vrijwel uitsluitend buitenlandse produkties opgevoerd in Istanbul. Erdogan heeft inmiddels een nieuw hoofd op de gemeentelijke afdeling cultuur aangesteld, die er voor moeten zorgen dat het Turkse element terugkeert op de planken.

Gökçek van Ankara richtte zijn aandacht aanvankelijk op de corruptie die de Turkse hoofdstad jarenlang handenvol geld zou hebben gekost. Het was dan ook enigszins verrassend dat de aanval op de kunstwereld juist door hem werd geopend. Hij liet vorige maand, zonder er al te veel ruchtbaarheid aan te geven, twee beelden, Passie van Azade Köker en In het land van de nymfen van Mehmet Aksoy, uit het Altin Park verwijderen. Het zou hier gaan om 'immorele kunst'. Gökçek vindt dat het onder zijn bewind geen pas geeft dat in een openbaar park bijvoorbeeld een man en een vrouw, weliswaar slechts in de vorm van een beeld, de liefde bedrijven. Hij zou nogal wat klachten hebben gekregen van families, die het park gebruiken voor de zondagse uitstapjes.

Niet alleen tal van Turkse kunstenaarsorganisaties, maar ook anderen die een vrije kunstuiting zien als een democratisch recht, hebben inmiddels de aanval op burgemeester Gökçek geopend. Volgens hen gaat het niet zozeer om de vraag of islam en kunst wel met elkaar zijn te verenigen, zoals het privé-televisie station ATV zondagavond in een uitgebreid discussieprogramma het onderwerp samenvatte, maar staat het seculiere, het Westers-georiënteerde karakter van de Turkse staat op het spel. Er valt meer te verdedigen dan het feit of de beelden van Köker en Aksoy nu wel of niet aanstootgevend zijn.

“Zeventig jaar van hard werken om niet alleen de kwaliteit van het leven in Turkije te verbeteren, maar om tevens te bevorderen dat kunst daar onderdeel van uitmaakt, mag op grond van een plotselinge en ondoordachte beslissing niet zomaar te niet worden gedaan”, schreef SANART, de associatie ter ondersteuning van visuele kunst, in een reactie. De Associatie van Beeldende Kunst voegde eraan toe 'dat dit incident niet alleen de hedendaagse kunst in Turkije aanvalt, maar dat tevens wordt geageerd tegen het idee dat tegenovergestelde meningen een voorwaarde zijn voor de continuïteit van het democratische systeem.'

Verlichte islam-deskundigen brengen daar tegenin dat niet de kunstobjecten zelf ter discussie staan, maar het feit dat ze in een openbaar park staan opgesteld. “Niemand mag worden gedwongen om ongevraagd met deze kunstuiting in contact te worden gebracht”, aldus Yasar Nuri Öztürk in het discussieprogramma van ATV. “Wie naar een museum gaat doet dat uit een bewuste keus. In een park moet iedereen zich op zijn gemak kunnen voelen.”

De twee gewraakte beelden maken onderdeel uit van een cultureel activeringsprogramma dat de gemeente Ankara in 1989 onder leiding van de sociaal-democratische burgemeester Murat Karayalcin startte. Volgens het boek dat ter gelegenheid hiervan verscheen 'bieden openbare beelden een belangrijke mogelijkheid om kunst in ons dagelijks leven te integreren'.

De geschiedenis van de moderne, hedendaagse kunst in Turkije wordt toegeschreven aan de hervormer Atatürk. Alhoewel de artistieke en historische rijkdom van de Anatolische beschaving vandaag de dag nog steeds een bron van inspiratie is voor Turkse kunstenaars, werd pas na de oprichting van de republiek in 1923 gebroken met het islamitische taboe om menselijke lichamen af te beelden. Het was dan ook vrijwel onvermijdelijk dat Atatürk, de bevrijdingsoorlog en geboorte van het nieuwe Turkije in die dagen de belangrijkste onderwerpen waren in de beeldende kunst.

Aksoy en Köker behoren tot een kleine groep van vooraanstaande Turkse kunstenaars. Köker woont tegenwoordig in Duitsland en ze onderwijst aan de Zomer Academie in het Oostenrijkse Salzburg. Aksoy leeft in Turkije. Hij heeft aangekondigd een rechtzaak tegen de burgemeester van Ankara te zullen aanspannen. Bovendien eist hij dat In het land van nymfen aan hem wordt teruggegeven. Het beeld is nu opgeslagen in een depot van het Altin Park.

De beeldende kunstenaar meent dat ongeacht de beslissing van Gökçek 'hedendaagse Turkse kunst zal overleven'. Hij wordt daarin ondersteund door de Turkse minister van cultuur, de sociaal-democraat Fikri Saglar. “De inwoners van Ankara”, aldus de bewindsman, “zullen burgemeester Gökçek, die geen verstand heeft van dit onderwerp, onderwijzen wat kunst is. We zullen de gewraakte beelden opnieuw tentoonstellen in het Cultuur Centrum Atatürk. En we zullen hen voorzien van de volgende tekst: bij het naderen van het jaar 2000, op het moment dat vrijwel elk land grote waarde toekent aan kunst, verscheen een man op het toneel die sprak : 'ik spuug op deze vorm van kunst', en hij verwijderde het vervolgens. Laat dat een les zijn voor de komende generaties.”