Triomf voor Chailly en zijn Asko

Concert door Asko Ensemble o.l.v. Riccardo Chailly met Jean-Ives Thibaudet, piano. Werken van Rihm, Nono, Francesconi, Stravinsky en Varèse. Gehoord: 14/6. Concertgebouw, Amsterdam.

Varèses geëlektriseerde haardos herinnerde Stravinsky aan Struwelpeter en de Wizard of Oz, en dat was hij ook voor het grote publiek: een gruwelijke tovenaar. Déserts, het centrale werk op het programma van het Asko Ensemble in het Holland Festival, veroorzaakte een voorspelbaar schandaal op de première. Nu, dinsdagavond, hield het applaus maar niet op. Stravinsky vond Varèse verre van gruwelijk: er schuilt veel noblesse in diens geruis.

Stravinsky bewonderde in Déserts vooral de overgangen van de instrumentale naar de tape-fragmenten en de niet meer op akkoorden maar puur op intervallen gebaseerde harmonische structuur. Maar minstens zo opmerkelijk is de vitaliteit, de spankracht en het nieuwe gebruik van het slagwerk. Daarbij is de ene klap de andere niet en vooral dat wist Riccardo Chailly haarscherp te duiden. Bij Varèse is het de helle klank, alsof je verblind wordt door plotseling in de zon te kijken, en bij Wolfgang Rihm zijn het doffe, grijze klappen die uitgedeeld worden. Bij Varèse klinken de trombones in hoge liggingen, bij Rihm herinnerden ze me aan de Hamletmaschine: de scène met het splijten van een lijkkist. Bij Varèse krijgt de poes een dikke staart, bij Rihm valt ze dood om.

Prachtig zoals hij in Form/Zwei Formen 1. Zustand (1993-1994) aan de gedempte contrabas de hoofdrol meegeeft in puur theatermuziek. Spanning ontstaat in een lang aangehouden, wringende sekunde, slechts begeleid door het doffe dreunen van tomtom en grote trom. Jammer dat hij in 2. Zustand (1994) tot een minder interessante herhalingsexercitie komt, de nieuwe fassung werkt minder sterk doordat Rihm iets te lang doorgaat: timing luistert nauw met zulk spaarzaam materiaal.

Zoals Rihm aansloot op Varèse, al is hij minstens zo sterk beïnvloed door Schönbergs Erwartung, zo sloot Luca Francesconi aan op Luigi Nono. Diens weberniaans pointillistische Polifonica-Monodia-Ritmica (1951) heb ik niet eerder zo helder verduidelijkend gehoord: intens in de eerste delen en met een verrukkelijke speelsheid in het slotdeel alsof het een eenvoudige Stravinsky betrof. Bij Francesconi ligt de expressiviteit er duimendik bovenop, maar zijn Islands, in de vorm van een concert voor piano en twaalf instrumenten uit 1992 wil niet meer zijn dan wat het is: welluidende speelmuziek. Als er een dreiging ontstaat, zoals in de dalende toonladderfiguren, duurt het niet lang en volgt de ontspanning in speeldoosgepingel of iets soortgelijks. Jean-Ives Thibaudet bracht de vereiste charme en ook het orkest speelde met gevoel voor deze decoratieve zwier. Maar het ging wel het ene oor in en het andere oor uit, terwijl de composities van Nono en Rihm lang nawerkten en Varèse heb ik nòg in mijn oren.

Tijdens het concert overdacht ik: twee keer heeft men in Darmstadt op de zomercursussen voor hedendaagse muziek erover nagedacht om niet aan een organisator maar aan een componist de leiding te geven: eerst aan Varèse en later aan Messiaen. Schönberg kwam niet in aanmerking omdat hij was overleden. Messiaen wilde eerst zijn boek over ritmiek voltooien (het heeft niet zo mogen zijn) en Varèse wenste te beschikken over een eigen elektronische studio, zijn grote passie, en ook dat bleek niet haalbaar. Wat zou er nu gebeurd zijn als Varèse wèl zijn zin had gekregen? Het blijft natuurlijk gissen, maar voor mij staat vast dat de geschiedenis een geheel andere loop had gekregen: structureel minder sterk, maar met meer harmonische kracht. Zo was dit niet alleen een opwindend concert, maar tevens een intrigerende muziekgeschiedenisles en zo zou het vaker moeten zijn.