Onze tien geboden

'De' journalistiek en 'de' pers bestaan niet. Er is een vak, de journalistiek, dat door een grote verscheidenheid van mensen wordt beoefend - van de meest onkreukbare talenten tot de knulligste oplichters - en die maken een produkt, bedrukt papier, van het betrouwbaarste dagblad tot het meest insinuerende vod. Hieruit volgt dat 'de' journalistiek niet de verzameling van journalisten is waarover een collectief oordeel kan worden geveld, en dat evenmin 'de' pers het geheel van publikaties is waarover een dergelijke mening kan worden uitgesproken. Mijn bezwaar tegen de beschouwing van de heer Piet Hagen, afgedrukt in deze kant van 13 juni is, dat door de veelheid van onderwerpen die hij daarin aanroert, zo'n oordeel over een denkbeeldig collectief voortdurend tussen de regels schemert.

Hagen volgt een betoog van de Franse socioloog Bourdieu, die onthutst was door de manier waarop een aantal media in Frankrijk oud-premier Bérégovoy hebben behandeld nadat hij in opspraak was geraakt wegens een financiële transactie. Ook de weergave van het medisch schandaal, de transfusies waarbij bloed van aidspatiënten werd gebruikt kon naar het oordeel van Bourdieu niet door de beugel. Bérégovoy heeft zelfmoord gepleegd; in het proces tegen de verdachten van het medisch schandaal stond volgens Bourdieu, weergegeven door Hagen, “de rechterlijke macht onder directe invloed van het dagelijks tv-journaal en de nieuwe onthullingen in de krant van de volgende dag.”

Ook in Nederland signaleert Hagen dingen die volgens hem bedenkelijk zijn. Hij citeert premier Lubbers die heeft geklaagd over de oppervlakkigheid van de parlementaire pers en lijsttrekker Brinkman die vindt dat er in de kwestie van zijn omstreden commissariaat 'unfair spel' is gespeeld. Dan komt hij tot een algemeen bezwaar. De pers is beïnvloed door de opkomst van de televisie. “De liberale courantier die zijn redactie vrij liet, heeft plaatsgemaakt voor de concernleiding die de winstcijfers angstvallig in de gaten houdt. Oplagecijfers en advertentievolume regelen het beleid van de uitgever.”

Met alle respect voor het bezwaard geweten van de socioloog Bourdieu die ik niet ken, en de ongerustheid van de heer Hagen van wie ik voor het eerst iets heb gelezen, dit zijn oude boemannen. Zolang de rotatiepers bestaat zijn er eigenaren van kranten geweest die met dat medium hebben geprobeerd de politiek te sturen. De Franse mediatycoons hebben dit gebruik bij wijze van spreken uitgevonden, lang voor er televisie bestond. Uit het verlangen naar onafhankelijkheid is na de oorlog het dagblad Combat geboren (dat het niet heeft gebolwerkt) en is Le Monde het eigendom van zijn redactie.

Dat Hagen een uitspraak van onze afscheidnemende premier aanvoert om te suggereren de 'de' parlementaire pers oppervlakkig is, nadert de gotspe. In beginsel zijn politiek en pers nooit vrienden - dat hoort zo - en daarom ligt het in hun natuur dat ze elkaar van alles en nog wat zullen verwijten, soms met goede redenen en dan weer onterecht. Maar na zijn acrobatiek aan het einde van zijn verkiezingscampagne die zozeer heeft bijgedragen tot de problemen van zijn lijstrekker Brinkman, mag de heer Lubbers zich gelukkig prijzen dat de meeste parlementaire journalisten dit onderwerp vlug hebben losgelaten. Onze raadselachtige staatsman had erger verdiend.

Dit zijn incidenten waaruit we geen algemene regels kunnen brouwen. Het is waar: er zijn kranten en televisieprogramma's die zich toeleggen op character assassination of Rufmord. (Het lijkt me al onthullend dat er geen Nederlands woord voor bestaat; we hebben het Engelse vertaald). Ook dat is een hebbelijkheid die al van vèr voor de komst van de televisie dateert. Dezer dagen zien we bijvoorbeeld hoe de vijanden van president Clinton alles in het werk stellen, zich de diepste laagheden veroorloven, om hem ten val te brengen. De Bild Zeitung, The Sun, News of the World, de National Inquirer is niets te dol als ze een prooi willen vermoorden. Maar dat is niet 'de' journalistiek die 'de' pers maakt. Het merkwaardige is juist dat kranten die het nauwer met de waarheid en het fatsoen nemen óók groeien, in vrijwel de hele westelijke wereld. Dat zijn de media die juist de wantoestanden opsporen die sommige mensen zich in andere beroepen proberen te veroorloven. De grote tragedie van Richard Nixon heet Watergate. Hij bleek een uitzonderlijk sterke persoonlijkheid te hebben die hem er weer bovenop heeft geholpen, maar dat konden de Washington Post en Woodward en Bernstein niet weten toen ze aan de onthullingen begonnen. Hadden ze, om de kans op zelfmoord te vermijden, hun mond moeten houden? Dat is geen retorische vraag.

“Wie geeft journalisten het recht om de publieke opinie te manipuleren? Is er eigenlijk nog wel sprake van een gemeenschappelijke ethiek? Of doet iedere individuele journalist wat goed is in zijn ogen?” vraagt Hagen zich af. In de eerste vraag vooronderstelt hij kwade trouw (de manipulerende journalist); in de tweede gaat hij uit van een gemeenschappelijkheid die nooit heeft bestaan; in de derde spreekt hij zich tegen, want een paar regels tevoren heeft hij de journalist nog beschouwd als de slaaf van de dagbladeigenaar. Zo is er nog wel meer tegen deze beschouwing in te brengen.

Dat sla ik over. In wezen gaat het Hagen om de ethiek. Geschrokken van de jakhalzen die zich journalist noemen (en van wie velen, vrees ik, dat ook zijn) wil hij regels waardoor ze in het gareel van het fatsoen zullen worden gebracht. De rechter en de Raad voor de Journalistiek zijn hem niet voldoende. Hij is niet de eerste die naar zo'n Tien Geboden voor de media verlangt. Het is prijzenswaardig maar ik voorspel dat het mislukt. Niettemin: ik geef de heer Hagen het voordeel van mijn twijfel. Ik ben oprecht nieuwsgierig naar wat hij zijn studenten aan de faculteit Journalistiek en Communicatie van de Hogeschool Midden Nederland op dit gebied wil leren, of dat misschien al doet.