Nieuwe bondgenoten, nieuwe problemen

De NAVO staat voor een dilemma, meent Jonathan Eyal. De uitbreiding met een aantal Oosteuropese landen brengt Europa en de VS tegenover elkaar. De Europese landen zijn erop uit de Oosteuropeanen in hun gelederen op te nemen, maar de VS wil de Russen niet voor het hoofd stoten en zal dat tegenhouden.

Het is bij veel Nederlanders bon ton om te menen dat hun land weinig invloed heeft op Europese zaken. Maar de invloed van Nederland op het ontstaan en de inrichting van nieuwe veiligheidsstructuren op het continent is aanzienlijk en in alle Europese instanties nog groeiende. Een Nederlander leidt de Westeuropese Unie, een tweede bezet de post van de Hoge Commissaris inzake Nationale Minderheden binnen de CVSE, de Conferentie over Veiligheid en Samenwerking in Europa. De Nederlandse regering besteedt aanzienlijke sommen aan de opleiding van militair en diplomatiek personeel uit vroegere communistische landen en bij andere projecten voor de omvorming van de CVSE loopt Nederland, samen met Duitsland, voorop. En terwijl veel andere westerse landen nog nadenken over de vraag wat men met de Oosteuropeanen moet aanvangen binnen het Partnerschap voor de Vrede van de NAVO, heeft Den Haag het spits afgebeten en als eerste aangeboden om later dit jaar een militaire oefening te houden met de Oosteuropeanen. Echter, hoe men zich ook inspant, de fundamentele problemen in Europa blijven voorshands onoplosbaar, want zoals de NAVO-topconferentie in Istanbul het afgelopen weekeinde heeft aangetoond, blijft het een illusie te menen dat het Westen gewone politieke zaken kan blijven doen met de Russen terwijl het op hetzelfde moment Ruslands voormalige satellietstaten in zijn organisaties opneemt.

Het Partnerschap voor de Vrede is ontworpen als een panacee voor alle Oosteuropeanen en moest de hele vroegere communistische wereld gaan omvatten, van Szczecin tot Vladivostok. Het verschafte het Atlantisch Bondgenootschap de middelen om zijn favoriete huwelijkskandidaten, de Vier van Visegrád (Polen, Tsjechië, Slowakije en Hongarije) te prepareren op hun uiteindelijk lidmaatschap, en zorgde tevens dat minder gewenste mededingers de tweede ronde van de afvalrace niet zouden halen. Bovendien kregen de aspirant-kandidaten de gelegenheid om in een rustig tempo te integreren. Met opzet ontbraken in het Partnerschap-programma de politieke toezeggingen over het NAVO-lidmaatschap, om de Russische politieke lange tenen te sparen. Op instigatie van de VS accepteerde het Atlantisch Bondgenootschap het argument dat er bij uitbreiding van de NAVO naar het Oosten een nationalistische reactie in Rusland dreigde waardoor de economische hervormingen en het democratiseringsproces op de klippen zouden lopen. Daarom werd de betrokkenheid van Rusland als democratische en strategische partner tot de tweede pijler onder het Partnerschap gemaakt.

Het is wel heel anders uitgepakt. Al meer dan een jaar stellen de Russen de eis dat er geen onderscheid wordt gemaakt tussen hen en de Oosteuropeanen. Maar zodra de NAVO dat standpunt accepteerde en iedereen hetzelfde partnerschap aanbood, sloeg Moskou een andere toon aan en eiste dat Rusland als uitzonderingsgeval zou worden behandeld. Inmiddels is er een diplomatiek bestand gesloten: het is de bedoeling dat het Kremlin hetzelfde Partnerschap-akkoord gaat tekenen als alle andere ex-communistische landen, maar met dien verstande dat de Russische samenwerking met de NAVO heel anders zal zijn dan die van de andere Oosteuropeanen. Als het Westen meent dat daarmee een oplossing is gevonden, zal het nog van een koude kermis thuiskomen. Want zoals onlangs bleek op een conferentie van de (Nederlandse) Atlantische Commissie in Praag zijn de Oosteuropeanen nog altijd niet gerust op hun toekomst. Zij verwachten daden, en het Westen blijft kampen met een gebrek aan geloofwaardigheid.

Officieel kan elk Oosteuropese land zelf kiezen in hoeverre het met de NAVO wil samenwerken. In de praktijk echter worden de Oosteuropeanen door gebrek aan middelen ernstig belemmerd in hun vermogen om deel te nemen aan tal van militaire activiteiten. Lily Sprangers, de in heel Oost-Europa bekende directeur van de Atlantische Commissie, trachtte in Praag bij herhaling de vroegere communistische landen ervan te overtuigen dat de NAVO na vele jaren van loze beloften nu serieus wil proberen haar vroegere vijanden in haar structuren op te nemen. Maar hoe dat moet gebeuren blijft de grote vraag.

Polen en Tsjechië presenteerden in Praag allebei gedetailleerde plannen voor hun toekomstige samenwerking, die reiken van gezamenlijke oefeningen tot de meer begrotelijke projecten voor samenwerking op het gebied van militaire produktie, gecoördineerde luchtverdediging en de integratie van oliepijpleidingen, met het doel Oost-Europa onafhankelijk te maken van Russische olietoevoer. Het Westen heeft tot op heden weinig meer toegezegd dan wat militaire oefeningen. Maar het dilemma steekt nog veel dieper: om in de NAVO te kunnen integreren moeten de Oosteuropeanen van het Westen niet minder maar juist meer aan hun defensie uitgeven; maar om hun economische hervorming te kunnen volvoeren moeten ze weer minder aan defensie besteden. Het zal niet eenvoudig zijn zowel kool als geit te sparen.

De gedachte dat toetreding van de Oosteuropeanen de NAVO tot een anti-Russische organisatie zullen maken, is altijd al onzinnig geweest. De Oosteuropeanen staan dichter bij Rusland dan alle andere westerse landen, en ze begrijpen Moskou beter. Geen verantwoordelijke Oosteuropese politicus bepleit een confrontatie met Moskou; integendeel: iedereen wil veel nauwer dan thans met de Russen samenwerken. Het verschil tussen Oost en West ligt op een ander vlak: waar westerse regeringen ondanks alle indicaties van het tegendeel nog steeds geloven dat het Kremlin zich vriendschappelijk zal blijven gedragen en dat Rusland een democratie zal worden, zijn de Oosteuropeanen minder optimistisch. En waar het Westen er nog steeds van uitgaat het de kat wel uit de boom kan kijken, menen de Oosteuropeanen dat er geen tijd te verliezen is. Het verschil tussen de beide gedachtengangen is het verschil tussen een verenigd en een verdeeld Europa. De keus gaat niet meer tussen een uitgebreide NAVO of een kleiner bondgenootschap, maar tussen een NAVO die is toegesneden op de veiligheidseisen van een werelddeel en een NAVO die langzamerhand gemarginaliseerd raakt en haar nut verliest. Blijkens hun optreden beseffen landen als Duitsland en Nederland dit maar al te goed. Maar andere regeringen, vooral de Amerikaanse, hebben de vereiste conclusies nog altijd niet getrokken.

Iedere NAVO-functionaris zal met een besmuikt lachje vertellen dat de Vier van Visegra´d in de toekomst NAVO-lid zullen worden. Onder vier ogen mompelen westerse functionarissen dat het NAVO-lidmaatschap van Polen, Hongarije, Tsjechië en Slowakije slechts een kwestie is van wanneer en hoe. In Washington gaat men echter nog steeds uit van de naïeve gedachte dat de integratie van deze landen langs evolutionaire weg kan verlopen. Ziedaar de kiem van wat wel eens de ergste crisis uit de geschiedenis van de NAVO kan gaan worden. Voor de Amerikanen is het Russische kernwapenarsenaal het enige wapen dat hun land rechtstreeks kan treffen. Daarom wil Washington er alles aan doen een nieuwe confrontatie met Moskou te vermijden. Voor de Europeanen ligt de keuze ingewikkelder: tanks kunnen weliswaar Noord-Amerika niet bereiken, maar Midden-Europa wel, en snel. Als Rusland blijft meewerken, is er niets aan de hand. Maar als het nodig blijkt de NAVO snel naar het oosten uit te breiden, zal Washington daar waarschijnlijk een stokje voor willen steken om Moskou niet voor het hoofd te stoten. Op de jongste conferenties is getracht de Oosteuropeanen gerust te stellen. Maar de diepste crisis wacht ons wellicht nog, binnen de NAVO zelf.