Nederland moet lering trekken uit de lessen van het verleden

We staan aan de vooravond van een nieuwe eeuw. Wat zal de 21e eeuw ons brengen? Hoe moet Nederland zich voorbereiden op de volgende eeuw? Hoe vreemd het ook klinkt: voor de oplossing van huidige economische problemen valt veel te leren van onze geschiedenis in de 17e en 18e eeuw. Zowel in positieve als in negatieve zin.

Er zijn de afgelopen vierhonderd jaar maar een paar economische wereldmachten geweest - en Holland was er daar een van. Rond 1500 nog een economische dwerg, ontwikkelt de Republiek zich na de onafhankelijkheid in sneltreinvaart tot de leidende economische natie in de wereld. In 1700 ligt het Hollands inkomen per hoofd 50 procent hoger dan dat van de belangrijkste concurrent, het Verenigd Koninkrijk! De voorsprong van ons land was toen zo groot, dat Adam Smith, de grondlegger van de economische wetenschap, Holland in zijn 'Wealth of Nations' (1776) nog ten voorbeeld stelt aan zijn landgenoten. En dat terwijl Holland die voorsprong in de 18e eeuw duidelijk aan het verspelen was. Wat is nu zo interessant aan het oprakelen van dit overbekende feit? Belangwekkend is dat onderzoek heeft uitgewezen dat technologische superioriteit een sleutelfactor was in het economische leiderschap van de Republiek.

De enorme concurrentiekracht van Holland in industrie en handel steunde niet op lage loonkosten of een lage belastingdruk; loonkosten en lastendruk lagen veel hoger dan elders. Overbekend is Hollands dominantie van de wereldzeeën in de 17e eeuw. Ook deze dominante positie steunde op technologische superioriteit. Een befaamd voorbeeld is de zogenoemde 'fluit'. Een revolutionair nieuw type vaartuig, dat omstreeks 1590 in Holland werd ontwikkeld. Deze schepen werden gebouwd voor de helft van de prijs van andere vaartuigen van die tijd. Bovendien kon een fluit van 200 ton met tien man bediend worden, terwijl een Engels schip van dezelfde afmetingen al snel dertig man vergde.

Maar ook in industriële sectoren als papier, lakens, tabak, voedingsmiddelen, bierbrouwerij liep Holland voorop in de toepassing van de modernste technieken. Het veelgeprezen koopmans- en handelstalent uit de 17e eeuw steunde dus op de technologen van die tijd. Mensen die wisten hoe je schepen moest bouwen (fluiten, haringbuizen). Hoe je navigatiemiddelen moest vervaardigen en inzetten om scheepvaart mogelijk te maken. Hoe je windmolens kon bouwen en als goedkope energiebronnen kon gebruiken voor industriële processen. Als dus soms wordt verwezen naar ons eeuwenoude gebrek aan industriële traditie, dan is dat volstrekt ten onrechte!

Holland was in de Gouden Eeuw al met al een 'high-tech' land 'avant la lettre'. Buitenlandse kennis werd van heinde en verre gretig geïmporteerd, maar ook verbeterd. De Republiek werd geleidelijk aan zelf een rijke bron van nieuwe technologie, de Britse historicus Jonathan Israel spreekt zelfs van 'het technologisch onderzoekslaboratorium van de westerse wereld'.

Wat waren de diepere oorzaken van die economische en technologische superioriteit van de Republiek? Dat is ten eerste de grote economische vrijheid. Waar elders in Europa (en in voorgaande eeuwen ook in Nederland) het economische leven aan de meest dwaze restricties werd gebonden, was de Republiek een vrijhaven. Aangetrokken door de religieuze tolerantie kwam een grote stroom van protestantse en joodse vluchtelingen naar de Republiek. Veel vaklieden en ondernemers zaten daarbij. En die kregen alle vrijheid om economische activiteiten te ontplooien. Zo ontstond de Amsterdamse zijdenijverheid, de chocoladefabricage en expandeerde de tabaksverwerking en diamantnijverheid. En ontwikkelde zich een omvangrijke en efficiënte kapitaalmarkt: de rentevoet bedroeg tussen 1600 en 1670 minder dan de helft van de rentevoet in omringende landen.

De tweede opvallende factor is dat de ondernemingszin van hoog tot laag zeer groot was. Soms wordt betoogd dat de Gouden Eeuw toe te schrijven valt aan de ongewoon gunstige externe omgeving. Maar gunstige externe omstandigheden hebben geen enkele waarde als er geen 'eagerness' is om de geboden kansen te benutten. Uiteindelijk is het die 'eagerness' die doorslaggevend is. De beroemde Trippen-familie staat model voor de grote ondernemingslust in de Gouden Eeuw. Adam Smith spreekt bewonderend: “It is there unfashionable not to be a man of business.”

De derde factor die opvalt in het succes van de Republiek is het uitgekiende overheidsbeleid. Hoezo, was het in die tijd niet laissez-faire dat de klok sloeg? Tot op zekere hoogte, ja. Maar de beleidsmakers in de Republiek wisten ook voortreffelijk wanneer decentrale economische besluitvorming tekortschiet. Israel spreekt zelfs over een 'buitengewoon krachtige en efficiënte staat', zeker in vergelijking met die in concurrerende landen. Johan van Oldenbarnevelt is daar de personificatie van. Bekend zijn de initiatieven tot oprichting van de VOC en de WIC. Waar essentiële belangen van de Hollandse handel in het geding waren, werd het ganse arsenaal van beleidsinstrumenten in stelling gebracht. Van agressieve handelspolitiek tot, waar nodig, gewapende interventie zoals de blokkade van de Antwerpse haven.

De economische voorspoed begon de laatste decennia van de 17e eeuw al behoorlijk te tanen en verkeerde in de 18e eeuw in duidelijke achteruitgang. Maar die achteruitgang was, zeker tot het midden van de achttiende eeuw, eerder relatief dan absoluut. Handel en scheepvaart van de Republiek stabiliseerden zich in de achttiende eeuw, zowel wat betreft het aantal schepen als de waarde van de in- en uitvoer. Maar, bij een groeiende wereldhandel, was stilstand achteruitgang. De grootste problemen deden zich voor in de nijverheid en de visserij. De financiële sector was de enige echte groeisector.

De werkloosheid in ons land nam snel toe en er ontstond een klasse van paupers. Tijdens zijn bezoek aan de Republiek schreef de Brit James Boswell in 1764: “Most of their principal towns are sadly decayed, and instead of finding every mortal employed, you meet with multitudes of poor creatures who are starving in idleness.”

Wat waren de oorzaken van dit achttiende-eeuwse verval? Allereerst was daar de mercantilistische politiek van de omringende landen. Door de protectionistische maatregelen van het buitenland, zoals het subsidiëren van eigen produkten, viel een deel van de vraag naar Nederlandse koopwaar weg. Ook meed men in toenemende mate de kostenverhogende Nederlandse stapelmarkt. De nijverheid werd hiervan het belangrijkste slachtoffer. Verder gingen de hoge kosten van geschoolde arbeid ons parten spelen. Zodanig dat verschillende ondernemers hun vestigingen om deze reden verplaatsten. Ook de hoge belastingdruk ging in de achttiende eeuw zwaar knellen.

Uit alles wordt duidelijk dat de Republiek in de achttiende eeuw haar voorsprong op de concurrentie verloor. De internationale economische verhoudingen waren drastisch gewijzigd. Maar hoe reageerden de Nederlanders daarop? Niet door een overvloed aan daadkracht. De Republiek viel ten prooi aan een toenemend conservatisme. Het daaraan gekoppelde verlies aan technologische superioriteit drukte een belangrijk stempel op de Nederlandse economie in de achttiende eeuw. Het gebrek aan ondernemerszin vormde een schril contrast met de dynamiek van de zeventiende eeuw. Volgens de historicus C. R. Boxer werd de Republiek in de achttiende eeuw gekenmerkt door een 'je m'en fiche'-isme. Deze conservatieve houding leidde weliswaar niet tot een achteruitgang van het Nederlandse vakmanschap, maar Nederland bleef stilstaan en werd heel snel door de Noordeuropese concurrentie voorbijgestreefd.

De Republiek had zich in het verleden vooral toegelegd op de technisch hoogwaardige afwerking van buitenlandse halffabrikaten. Het buitenland had nu echter zelf deze technische kennis in huis, mede door het inhuren van hooggeschoold Nederlands personeel. Brain-drain avant la lettre dus!

Het maritieme bedrijf van de Republiek, dat in de zeventiende eeuw alom geroemd werd, viel eveneens ten prooi aan conservatisme. De technologische voorsprong van de Nederlanders ging verloren. In de 17e eeuw hadden de Engelsen de snelle wendbare fluit nog dankbaar van de Nederlanders gekopieerd. Maar honderd jaar later was de situatie precies omgekeerd. Toen liepen de Engelsen voorop in het bouwen van driedekkers en het bekoperen van scheepshuiden. Iets waartoe de VOC pas tientallen jaren later besloot.

Economisch gezien stond in de Gouden Eeuw de produktie centraal. Natuurlijk was er armoede in de Republiek. Maar de toestand van de armsten in de Republiek was onvergelijkbaar veel beter dan in het buitenland. In de Republiek stierven geen mensen van de honger. De voorspoedige economische ontwikkeling krikte blijkbaar ook de onderkant van het inkomensgebouw omhoog naar een niveau dat hoger was dan in de eeuwen daarvoor èn hoger dan in de landen om ons heen.

De grote economische dynamiek bood ook veel kansen aan mensen die geboren waren in de kleine burgerij of de schamele gemeente. De kansen boden hoop en geestkracht in plaats van verstarring en berusting zoals de bekende VU-historicus Van Deursen het uitdrukt. Wie voor een dubbeltje geboren werd, kon best een kwartje worden. De Gouden Eeuw houdt ons in zekere zin een spiegel voor: zie eens welke prestaties wij kunnen leveren als het economisch leven adequaat is ingericht! D.w.z. als de produktie en de creatie van welvaart voorop staan, als de prikkels voor ondernemingslust resp. technologische vernieuwing sterk genoeg zijn èn de goede kant op werken. We zien dat vandaag de dag geïllustreerd in de fabelachtige ontwikkeling van Aziatische tijgers als Honkong, Singapore en Korea.

Er is een zekere vergelijkbaarheid tussen het huidige Nederland en de vastgelopen Republiek op het eind van de 18e eeuw. In de Republiek in de 18e eeuw heerste zelfgenoegzaamheid, traag reactievermogen, eindeloze besluitvormingstrajecten, conservatisme. Men rustte op de lauweren van de 17e eeuw. Hoewel de externe omgeving drastisch was veranderd, werd daar niet of onvoldoende op gereageerd. Het hoge kostenpeil werd een ondraaglijke factor omdat de technologische voorsprong steeds verder erodeerde.

Het huidige Nederland ademt een vergelijkbare sfeer. De na de Tweede Wereldoorlog opgebouwde welvaart wordt als een soort natuurgegeven opgevat. De verdeling van de koek staat centraal en de omvang van de koek wordt als een 'gegeven' beschouwd i.p.v. iets wat je moet bevechten. Nog nauwelijks doorgedrongen is het besef dat de wereld om ons heen drastisch veranderd is: denk maar aan nieuwe concurrenten (Azië, Latijns Amerika), structurele verschuivingen in groeimarkten en de internationale technologie-race. Voor zover dit besef wel doordringt (mede door het platform globalisering) wordt dit meer als een bedreiging gezien dan een kans.

Eindeloos wordt gedelibereerd over pro's en contra's van aanpassingen die uiteindelijk geen toereikende antwoorden vormen op de gestelde uitdagingen. Denk aan de aanpassing van het sociale zekerheidsstelsel, de verschuiving van overheidsconsumptie naar overheidsinvesteringen, deregulering (Winkelsluitingswet, Mediawet bijv.) en het inzetten van onderwijs- en onderzoekinfrastructuur voor versterking concurrentiekracht.

Verstarring resp. onbeweeglijkheid is nu ons deel, en wat erger is: we lijken daarvoor te kiezen! Is het dan verwonderlijk dat ons inkomen per hoofd de afgelopen 10-15 jaar steeds verder afzakt in de rangorde van industrielanden? Met de handrem stevig aangetrokken is het lastig koersen. Waar is de ambitie gebleven om economisch en technologisch echt mee te tellen? Wie tegenwoordig wijst op onze economische en technologische wereldprestaties in de Gouden Eeuw kan rekenen op meewarige blikken en afkeurend gemompel. Maar onze eigen Gouden Eeuw laat zien hoeveel economische dynamiek in bestek van enkele decennia kan worden ontketend. En hoe zo'n dynamiek te ontwikkelen valt op basis van industriële kracht en technologische superioriteit die een relatief hoog kosten- en lastendrukniveau overcompenseert. Is dit geen lichtend voorbeeld?