MOULOUDJI 1922-1994; Franse kwajongen

Marcel Mouloudji, verpersoonlijking van het Franse chanson in de vroege jaren vijftig, is gisteren op 71-jarige leeftijd overleden in een ziekenhuis in Parijs - de stad waar hij werd geboren, waar hij heimwee naar had als hij ergens anders was (Le mal de Paris) en die hij zijn leven lang trouw is gebleven. Omdat hij al geruime tijd niet meer zong, heeft zijn carrière nooit de hoogten bereikt van generatiegenoten als Montand of Aznavour, maar ooit was hij één van hen, met zijn donkere, vibrerende timbre, zijn warrige haardos en zijn kwajongensachtige houding.

Mouloudji, die als artiest uitsluitend zijn exotische achternaam gebruikte, kwam uit een volks milieu en leek aanvankelijk de aangewezen man te zijn om in de Franse films van vlak na de oorlog rebellerende en tot straatcriminaliteit geneigde jongeren van proletarische afkomst te spelen. Eén van zijn laatste (en bekendste) rollen was die in Nous sommes tous des assassins uit 1952, waarvan alleen de titel al het engagement van de makers duidelijk maakte. Maar gaandeweg werd hij minder vaak gevraagd, naar eigen zeggen omdat hij zich niet vaak genoeg bewoog in “de coterie van de cineasten”. In plaats daarvan ging hij, aangemoedigd door collega's als de grote Maurice Chevalier, zingend verder. Al in 1953 ontving hij de begeerde Grand Prix du Disque voor Comme un p'tit coquelicot, zijn eerste succesplaat. Zijn liedjes moesten, vond hij, simple comme bonjour zijn. Eén van zijn grootste internationale successen was het weemoedige Un jour tu verras, dat ook buiten Frankrijk veler harten beroerde.

Met het anti-militaristische chanson Le déserteur van Boris Vian bewees Mouloudji in 1956, tijdens de opstand in Algerije, dat hij zich nog steeds verbonden voelde met het linkse kamp. Geruime tijd was hem verboden het lied in het openbaar ten gehore te brengen (in Nederland overkwam de vertalingen van Ernst van Altena en Jaap van de Merwe hetzelfde).

In de loop van de jaren zeventig trok Mouloudji zich terug van de chanson-podia om thuis te schilderen en aan zijn memoires te werken. Toen hij in 1979 verscheen in Muziekcentrum Vredenburg in Utrecht, was de zaal half leeg en werd zijn optreden in deze krant beschreven als “nostalgie voor veertigers”. Wat rest, zijn vooral de liedjes uit de jaren vijftig, toen het leven eenvoudig was en hij daar prachtig over kon zingen.