Middeleeuwse altaarstukken na eeuwen weer herenigd

AMSTERDAM, 15 JUNI. Het Rijksmuseum in Amsterdam organiseert de komende winter een grote tentoonstelling over de persoonlijke geloofsbelevenis in de late middeleeuwen. Het museum heeft vijftig kostbare en zeldzame kunstvoorwerpen bijeengebracht uit openbare en particuliere collecties in Europa en de Verenigde Staten die de gebedscultuur in die periode in beeld brengen. Het is volgens het museum de eerste keer dat zo veel objecten van privé-devotie uit de late middeleeuwen samen te zien zijn. De tentoonstelling heeft als titel Gebed in Schoonheid, Schatten van privé-devotie 1300-1500, en wordt van 26 november tot 26 februari 1995 gehouden. Hij is samengesteld door de algemeen directeur van het Rijksmuseum, Henk van Os. De getoonde voorwerpen horen volgens hem tot de mooiste die er op dat gebied zijn overgebleven.

Op een dia-presentatie gisteren liet Van Os een voorproefje zien van wat de expositie te bieden heeft: panelen, miniaturen, prenten, houtsnijwerk en edelsmeedkunst met scènes uit het leven en lijden van Christus, Maria en andere bijbelse figuren. Uit buitenlandse musea komt werk van onder anderen Andrea Mantegna, Hans Memling en Bernardo Daddi, maar er zullen bijvoorbeeld ook gebedenboeken worden getoond uit de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag, waaronder het Getijdenboek van Isabella van Castilië, volgens Van Os “een van de mooiste manuscripten uit Nederlands bezit”.

Tot de topstukken hoort het paneel Kleine Maestà (ca. 1335-40) van Ambrogio Lorenzetti, door Van Os betiteld als 'de Nachtwacht van de Pinacoteca Nazionale in Siena'. Van Mantegna komt een prachtige Maria met slapend kind (ca. 1465/70) uit de Berlijnse Gemäldegalerie.

De meeste van deze kunstwerken zijn gemaakt in Duitsland, Noord- en Zuid-Nederland en Italië. De nadruk bij de tentoonstelling ligt op het Nederlands kunstbezit. Een bijzonder aspect van de expositie is dat een aantal kleine altaarstukken, waarvan de delen over verschillende musea in de wereld verspreid zijn, voor het eerst sinds lange tijd herenigd zullen worden. Door dit vooruitzicht konden een aantal musea, die niet zo happig waren om hun kwetsbare bezit in bruikleen af te staan, toch vermurwd worden. Zo worden de twee delen van de Diptiek van Geertgen tot Sint Jans uit Museum Boymans-van Beuningen en de Nationale Gallery of Art in Edinburgh samengebracht. De belangrijkste reconstructie is die van het Vierluik van een onbekende meester rond 1400, waarvan twee luiken zich bevinden in Baltimore en twee in Antwerpen. Een ervan stelt de geboorte van Christus voor, met Maria liggend op een Byzantijnse matras.

Voorstellingen bestemd voor het persoonlijke gebed werden vanaf ongeveer 1300 op grote schaal vervaardigd. Daarvoor waren ze alleen in openbare ruimten te zien. Men gebruikte de objecten in de woning, kloostercellen, speciale kapellen voor broederschappen, of men nam ze mee op reis. Veel is er niet over, zei Van Os, maar wat bewaard is, zijn meestal wel de allerfraaiste stukken, mede omdat de kerk zich daar op een gegeven moment over ontfermde. Vooral in kloosters speelden voorwerpen voor privé-devotie een grote rol. De afbeeldingen werden zo gemaakt dat de gelovige het gebeuren kon meebeleven en zo tot een hogere vorm van spiritualiteit kon komen. “Het hoogste ideaal was om uit je voegen te geraken om bij het kindje Jezus te zijn, hem na te volgen en je één met hem te voelen in zijn lijden”, zo schrijft Van Os in het bij de expositie horende boek dat begin oktober zal verschijnen. De voorwerpen kregen in de loop der tijd een steeds grotere kunstzinnige waarde en werden gemaakt door bekende kunstenaars. Dat wordt op de tentoonstelling onder andere geïllustreerd met Hans Memlings Heilige Veronica met de zweetdoek (ca. 1470-75), een onderdeel van een diptiek uit de National Gallery of Art in Washington.

De tentoonstelling kost een miljoen gulden. De inrichting gebeurt door Keso Dekker, die onder meer bekend is van zijn ontwerpen voor de balletten van Hans van Manen. De grafische vormgeving is in handen van Tessa van de Waals.