Hoe Rembrandt en Vermeer hun brood verdienden

De kunsthistoricus Marten Jan Bok had ook onderzoek naar timmermannen of metselaars kunnen doen. Maar zijn interesse ging uit naar schilderen. Gisteren promoveerde hij aan de Universiteit van Utrecht op een studie naar de Nederlandse kunstmarkt in de zeventiende eeuw.

Hoewel kunsthistorici de term 'tweederangs' makkelijk gebruiken, zullen ze een schilderij niet snel 'tweedehands' noemen. Evenmin is het gebruikelijk de marketingstrategie van zeventiende-eeuwse kunstenaars te prijzen. Een dergelijke schroom is Marten Jan Bok vreemd. In het proefschrift Vraag en Aanbod op de Nederlandse kunstmarkt 1580 - 1700 waarop hij gisteren aan de Rijksuniversiteit Utrecht promoveerde, worden kunstenaars behandeld als een gewone beroepsgroep. “Ik had ook onderzoek naar notarissen of timmerlieden kunnen doen. Maar mijn interesse gaat uit naar schilderijen.”

Bok studeerde sociale en economische geschiedenis en raakte bij toeval in de kunstgeschiedenis verzeild toen hij een doctoraalscriptie over het Utrechtse St. Jobs Gasthuis schreef. “Het Gasthuis bezat ooit een grote kunstcollectie. Ik hoopte de verblijfplaats van die schilderijen te traceren.” Hij slaagde daar niet in, maar vond in het Utrechtse archief wèl een grote hoeveelheid onbekende gegevens over Utrechtse schilders. Zijn belangstelling voor biografisch onderzoek was daarmee gewekt. Sindsdien heeft Bok gegevens over talloze grote en kleine schilders aan het archief onttrokken. Zijn vondsten werden in tijdschriften en tentoonstellingscatalogi gepubliceerd. Daarnaast schreef hij met anderen een monografie over Pieter Saenredam en Abraham Bloemaert.

“Over veel kunstenaars is bitter weinig bekend. Ik kan er soms achter komen wanneer ze geboren zijn, wie hun ouders waren of waar ze woonden. Het is leuk om uit de mist van de geschiedenis zo'n contour naar voren te halen.” Dat voor dergelijk bronnenmateriaal nauwelijks sociaal-historische belangstelling was, heeft volgens Bok te maken met de esthetische traditie in de kunstgeschiedenis. “Die is lang zó sterk geweest dat andere onderwerpen werden weggedrukt.” De opvatting dat de kunstgeschiedenis zich vooral dient bezig te houden met het bestuderen van kunstwerken is dan ook niet aan hem besteed: “Het is óók de geschiedenis van de kunstenaars.”

Bok erkent dat de geschreven bronnen over kunstenaars vaak karig zijn. “Het blijft vaak beperkt tot documenten over geboorte, doop, trouw en overlijden. Als je geluk hebt, zit er een smeuïge rechtszaak tussen.” Hij benijdt de biografen die zich bezighouden met historische personen of schrijvers waarover veel materiaal bewaard is gebleven.

In zijn proefschrift heeft Bok de economische ontwikkelingen in het zeventiende-eeuwse Nederland vergeleken met de toenmalige kunstmarkt. “Over de relatie tussen economie en kunst bestaan globaal drie theoriën: de eerste veronderstelt dat kunst zich niet of nauwelijks door economische factoren laat beïnvloeden. Daarnaast is er de theorie dat economische bloei leidt tot artistieke bloei. Maar het omgekeerde wordt óók beweerd: dat de kunst juist in moeilijke tijden tot bloei komt.” Bok toont in zijn dissertatie aan dat economische en culturele bloei in de zeventiende eeuw hand in hand gingen. “Het idee dat kunstenaars in tijden van recessie beter zouden presteren is terug te voeren op de Romantiek: de kunstenaar die op z'n zolderkamertje in de vrieskou meesterwerken zit te scheppen. Dat beeld klopt niet. De meeste kunstenaars die wij nu bewonderen, hadden hun zaakjes een paar eeuwen terug goed voor elkaar.”

Bok toont onder meer in tabellen en grafieken aan dat de koopkracht van de Nederlandse bevolking in de eerste helft van de zeventiende eeuw zo groot werd dat gewone burgers kunst gingen kopen. En omdat de prijzen tegelijkertijd daalden nam de vraag naar kunst enorm toe. De schilders vroegen lagere prijzen omdat ze van paneel waren overgestapt op het goedkopere doek. Bovendien werkten ze in een lossere schildertrant waarmee soms meerdere schilderijen op een dag voltooid werden. De kunstenaars waren bovendien zeer innovatief in het aan de man te brengen van hun produkten. “Er kwamen veilingen, verlotingen en verdobbelingen van schilderijen. Daarmee werd de markt uitgebreid. Mensen die zich geen schilderij van twintig gulden konden permitteren kochten wèl voor zes stuivers een lootje. En iemand die voor het eerst in z'n leven een schilderij in huis had kon daarmee z'n buren de ogen uitsteken. Zo werd nieuwe vraag gecreëerd.”

Bok zoekt ook een verklaring voor de neergang van de schilderkunst in het laatste kwart van de zeventiende eeuw - door vorige generaties kunsthistorici nog wel aangeduid met termen als 'degeneratie' - vanuit economisch perspectief. “Tot het midden van de zeventiende eeuw groeide de vraag naar kunst zo hard dat het aanbod van tweedehands schilderijen geen invloed had op de prijs. Maar het aantal kunstenaars bleef toenemen. En toen de groei van de economie stokte was er sprake van een overschot. De hoeveelheid tweedehands schilderijen was sterk toegenomen en die kwamen - ongeacht de prijs - op de kunstmarkt terecht.” De Franse inval van 1672 leidde bovendien nog eens tot een sterke vermindering van de welvaart. “Dat was voor veel schilders de grote klap. Johannes Vermeer is toen bijvoorbeeld failliet gegaan.” Zijn collega Adriaen van IJsselsteijn verklaarde in 1676 dat er in Utrecht met schilderen geen droog brood meer te verdienen was 'vermits de conjuncturen van tijden soo slecht geloopen sijn.'

Het aantal schilderijen dat in de zeventiende eeuw werd gemaakt loopt volgens Bok in de miljoenen. “Tot op de dag van vandaag bestaat op iedere veiling van oude meesters ter wereld een ruime keuze uit zeventiende-eeuwse Nederlandse schilderijen. Het materiaal dat toen is geschilderd, heeft nog altijd economische betekenis.”