De provocatie is niet meer wat zij geweest is

Un, deux, trois, soleil. Regie: Bertrand Blier. Met: Anouk Grinberg, Marcello Mastroianni, Myriam Boyer, Patrick Bouchitey. In: Amsterdam, Cinecenter; Rotterdam, 't Venster; Nijmegen, Cinemariënburg.

Vanaf zijn allereerste film, de uit interviews met jongeren samengestelde documentaire Hitler connais pas (1962), heeft Bertrand Blier zich opgesteld als een agent-provocateur. Waren zijn beste films uit de jaren zeventig (Les valseuses, Beau-père, Calmos, Préparez vos mouchoirs) formeel anti-realistisch, door hun onlogische verhaalstructuur, inhoudelijk spraken ze over de werkelijkheid van jonge kruimeldieven, incestueuze stiefvaders en pimpelende schuinsmarcheerders. Net als Marco Ferreri in Italië, ondermijnde Blier met zijn amorele filmfabels de normen van de toch al op haar grondvesten trillende bourgeois-maatschappij. Misschien omdat er tegenwoordig weinig meer te provoceren valt, maakte Ferreri al in geen tien jaar meer een behoorlijke film. Blier is bezig net zo'n tandeloos grommende sater te worden.

In toenemende mate verdwijnt de strakke rationaliteit (als ironisch tegenwicht voor de chaos) uit Bliers werk. Twee jaar geleden gaf hij zich in Merci la vie al onbekommerd over aan vrije associatie rond het thema AIDS, liefde en dood. Un, deux, trois, soleil, eigenlijk de naam van het kinderspelletje dat wij kennen als 'Anna, Maria, koekoek', gaat over de gewelddadige werkelijkheid in een voornamelijk door allochtonen bewoonde buitenwijk van Marseille, een betonwoestijn geaccentueerd door uitgebrande autowrakken en desolate flatgalerijen.

Volgens de regels van het spel moet je je snel omdraaien om je niet te laten 'dood maken' door snel oprukkende leeftijdgenoten. Zo voelt Bliers heldin Victorine (Anouk Grinberg, sinds Merci la vie de muze van de regisseur) zich precies. Als in een droom is ze nu eens kind, dan weer puber, moeder, minnares, slachtoffer, troosteres, vaak in een en dezelfde scène. De doden en de levenden lopen door haar leven heen. Net als ze met haar sullige echtgenoot de liefde wil bedrijven, blijkt de slaapkamer mede bevolkt te worden door een schare kleine jongetjes, die weer aan haar borsten willen komen. 'Wat doen jullie hier eigenlijk?'', vraagt ze, mede namens de kijkers naar de film.

Op den duur gaat de structuur van Un, deux, trois, soleil, die aanvankelijk nog wel aan enige emotionele logica lijkt te beantwoorden, knap irriteren. Daar staan heel aardige vondsten tegenover, zoals het steevast verdwalen van Victorines drankzuchtige vader (Marcello Mastroianni) in de gelijkvormige flatgebouwen, waarvan de belettering door kleine boefjes met opzet verwisseld wordt. Ook de weemoed naar de echte zon, het paradijs waaruit de allochtoon verdreven is, loopt als een herkenbare rode draad door de film, op het ritme van Khaleds Arabische rapmuziek.

Blier is niet meer de grootmeester van de puntige boutade, van de absurde non-sequitur; hij moet het nu hebben van de enkele trouvaille. De verheerlijking van de asociale medemens is futiel geworden, omdat de realiteit van deze wanhopig naar liefde en affectie snakkende jungle geen fantasie meer is. Het zou wel eens kunnen dat Blier daarom in de vormgeving zijn toevlucht moet nemen tot verwrongen absurditeiten. En zo glijdt wederom een Europese filmauteur af naar het moeras van de verbleekte reputaties.