De adviseur en de crimineel

'Pappie, wat doe jij eigenlijk de hele dag?' Slechts weinigen hoeven zich in bochten te wringen om een fatsoenlijke bezigheid aan de kinderziel te presenteren. Tot degenen die moeite hebben met een eerzaam antwoord, behoren in de ogen van de Tilburgse emeritus-hoogleraar Van Dijck naast criminelen ook vele belastingadviseurs. De eminentie van de fiscale wereld doelt op degenen die fiscale constructies uitdenken ten behoeve van mensen die hun deel aan de belastingen willen ontlopen. 'Klaplopers', zo betitelt hij burgers en bedrijven die wel profiteren van de infrastructuur van de overheid, maar door listige kunstgrepen hun bijdrage daaraan verwaarlozen. De mensen die tegen toptarieven al dat moois verzinnen, vergelijkt hij in het eerbiedwaardige Weekblad voor fiscaal recht met bordeelhouders die immers ook hun bestaansrecht ontlenen aan het exploiteren van de minder fraaie kanten van de mens. Met uitzondering van deze ondernemers aan de zelfkant, vormen de belastingadviseurs in zijn ogen vermoedelijk de enige beroepsgroep waar zo regelmatig het excuus wordt gehoord: 'Doe ik het niet, dan doet een ander het'.

Dit onbarmhartig voorhouden van de spiegel wordt - zacht uitgedrukt - slechts matig gewaardeerd door de bovenlaag van belastingadviseurs. Hun twee beroepsorganisaties congresseerden, kort na elkaar, over het thema belastingmoraal. De Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB) deed dat afgelopen vrijdag, vanuit de invalshoek criminaliteitspreventie. Het ging er daarbij niet om hoe klaplopers buiten de deur van het nette advieskantoor gehouden kunnen worden. Het behoort juist tot de meer lucratieve handelswaar om nog nèt binnen de wettelijke grenzen lucratieve sluiproutes te vinden, ongeacht het morele gehalte dat anderen daar aan toekennen. Meer moeite heeft de Orde met leden die tegelijk met het geven van uitgebalanceerde adviezen zelf handelen in leeggehaalde vennootschappen met fiscale reserves die bij verkoop in Monrovia (Liberia) nog aardig wat blijken op te brengen. Voorlopig wordt zulke leden met een dergelijke bij advocaten en notarissen onaanvaardbare dubbelfunctie niet de deur gewezen. Dat blijkt wel het geval met degenen die rechtstreeks in het criminele circuit opereren.

De moeilijkheden stapelen zich op als men in de (potentiële) klantenkring de criminele elementen wil opsporen. Veel criminelen hebben een hang naar een nette maatschappelijke status voor zichzelf of hun bedrijven en gebruiken een doorgaans onwetende belastingadviseur als wegbereider. Niemand wil zich voor dat karretje laten spannen, maar aan de andere kant is het ook zonde een goed betalende klant naar de concurrent sturen. Hoe nauwkeurig moet een adviseur zijn klanten doorlichten en de juistheid van hun mededelingen nagaan? Moet hij dieper spitten bij het werven van een klant dan Brinkman deed bij het aannemen van zijn omstreden commissariaat?

Op het congres keek men voorts met een schuin oog naar de normen die worden gehanteerd door de fiscus, het natuurlijke referentiepunt van de belastingadviseur. Die toont immers niet de minste terughoudendheid bij het belasten van drugshandelaren en afpersers. Waarom zou de adviseur roomser zijn dan de paus? De hoogste ambtenaar van de Belastingdienst, directeur-generaal Van Lunteren, vond dat de vergelijking mank gaat. De fiscus heeft zijns inziens een volstrekt andere positie dan de adviseur; de klanten worden bij wet aangeleverd en kúnnen niet eens worden geweigerd, de nota is wettelijk geregeld en concurrentie is afwezig. Toch staat de fiscus bij het constateren van misdadigheid onder de klantenkring ook voor een dilemma. Voor niet al te erge misdaden wordt intern en soms met het Openbaar Ministerie afgewogen of de wettelijke geheimhoudingsverplichting tegenover de belastingbetaler zwaarder moet wegen dan het dienen van de rechtsorde via een aangifte bij Justitie. Volgens Van Lunteren kunnen de adviseurs onderling net zulke afspraken maken.

Maar terwijl een belastingambtenaar 30.000 collega's heeft, wordt de belastingadviseur omringd door concurrenten. Een organisatie als de NOB hangt dan ook als los zand aan elkaar. De gedachte is eerder dat een klant verdwijnt in het bestand van een collega met minder scrupules dan dat die collega als toetssteen voor moraliteit kan gelden.

Waar men op het congres helemaal niet uit kwam was de positie van de NOB-leden die in kantoorverband samenwerken met accountants. Moeten die kantoorgenoten worden ingelicht over misstappen van gezamenlijke cliënten die de belastingadviseur ter ore komen? In verband met de beroepsaansprakelijkheid van de accountant zou dat wel eens nodig kunnen zijn. Bovendien worden klanten door zulke kantoren geworven met het argument dat ze hun verhaal slechts één keer hoeven te vertellen. Maar de belastingadviseur krijgt heel wat zaken te horen die de controlerend accountant maar liever niet weet. Voor de klanten van gecombineerde kantoren kan het van belang zijn het standpunt van hun adviseurs op dit schimmige gebied te kennen. Ook niet-criminelen kunnen worden verrast door de snelle ontwikkelingen op dit terrein.