Dansers wachten tot de Decap speelt

Zondagmiddag. Danszaal De Bungalow vormt samen met een bierhal en een benzinestation een enclave bij de grens onder Tilburg. Achter de bar staan platen met opnamen van het orgel: De Tien Beste Hits. Het orgel zelf heeft een front van wit en bruin formica, met bewegende instrumenten, zoals accordeons die strak mechanisch uitwaaieren. Het orgel staat achter een smeedijzeren hekje en wordt groen, geel en blauwpaars aangelicht. Boven het orgel hangt een bord: 'Kinderen niet op de dansvloer'. Een klein meisje met krulhaar, dat dromerig op de parketvloer danst, wordt vriendelijk door een bejaarde heer weggetrokken. Een 70-jarige man met witte schoenen, overhemd en zwart strikje wenkt iedere vrouw ten dans. Een vrouw met een zonnebank-bruin gezicht, een goudkleurig truitje met zwarte franje en het woord Iceberg op haar boezem, danst geforceerd vlot. Tussendoor wordt Mexico van de Zangeres Zonder Naam gedraaid, maar er wordt alleen gedanst als het Decap-orgel speelt.

Ad Stokmans, makelaar en sinds kort de (Hollandse) eigenaar van het etablissement: “Het raakte hier in verval toen de grens dichtging, maar nu, na vijf weken draaien, komen de mensen weer. Sommigen komen hier al dertig jaar. Maar ook jongeren vinden het prachtig. Ze kijken in het begin hun ogen uit, want ze kennen die orgels niet en ze houden misschien meer van house-muziek, maar ze staan binnen de kortste keren op de dansvloer.”

Het Decap-orgel is een compleet mechanisch orkest met saxofoons, drums, trompetten en hammondorgel. Eerst reisden ze alleen mee met kermissen, later stonden de orgels ook in danszalen. In de vormgeving van de instrumenten is de kunstgeschiedenis van deze eeuw af te lezen: van fondantkleurige orgels met engeltjes die op bazuinen blazen via Art Deco en Nieuwe Zakelijkheid tot fantasieloos formica van de jaren zestig en zeventig, opgekuist met gekleurd neonlicht.

“Ja, vroeger stonden er soms wel drie tenten met orgels op de kermis in het dorp. Daar ontmoetten de jongens de meisjes. Dat was heel plezant”, vertelt de uitbaatster van Willem Tell, een danspaleis in de vorm van een chalet in Zandhoven, langs de baan van Antwerpen naar Turnhout. “Nu krijgen we in de zomer veel autocars met ouderen uit Vlaanderen en De Kempen die een tochtje maken; die verlangen naar het orgel.”

Tegenover Willem Tell, naast een frietkot, staat De Veertien Billetjes (vroeger eigendom van zeven zussen). Hier staat de sansevieria onder de Decaps: tussen goudkleurige draperieën staan saxofoon, accordeon en drumstel op een kleine verhoging weggewerkt. In de zaal met ruim honderd tafels dansen bejaarden de twist onder ultraviolet licht. In Beersel onder Brussel is een totaal andere sfeer: in Café Oud Beersel luistert men, gezeten achter glazen Geuze en rode Kriek uit de naburige brouwerij, naar een Mortier-orgel uit 1932; een onopvallend muurornament met glazen rozetjes en spiegelglas.

Er zijn nog enkele arrangeurs die notenschrift kunnen omzetten in de gaatjesboeken waar de orgels mee worden aangestuurd. Maar het aantal orgels wordt steeds minder. In het Brusselse Instrumentenmuseum zoek je tevergeefs naar dit volksinstrument: “Ja, ge zijt in België. Ze laten hier alles teniet gaan. België was de grootste producent van dansorgels, maar de mooiste staan nu in het buitenland”, zegt de heer Gijsels, die uit liefhebberij een klein museum begon achter zijn 'Fabriek Van Doodskisten' in Brussel. Groepen kunnen er op afspraak langskomen om op de muziek van zijn grote Decap-orgel te dansen.

De firma Decap in Antwerpen restaureert en bouwt de orgels nog steeds. Vader en zoon Mostmans (vader trouwde met een Decap) werken met gereedschap dat hun voorgangers begin deze eeuw al hanteerden: boren en cirkelzagen die via drijfriemen door één machine worden aangedreven. Mostman jr. schat dat er nog honderdvijftig orgels zijn in België. In de werkplaats kopieert hij gaatjesboeken met nieuwe nummers die hij laat maken en die hij zaterdags bij cafés en particulieren bezorgt. Er worden ook bandopnames gemaakt van het grootste nog bestaande Decap-orgel, een ontzagwekkend instrument met een front van tien meter breed en vier meter hoog, dat in de werkruimte staat. Mostman zinkt in het niet bij het monster. Als hij erachter verdwijnt, begint het even later te zuigen als een gigantische stofzuiger, waarna de muziek de ruimte in dendert.

'Aandacht! Gelieve niet meer op tafels en stoelen te dansen om ongevallen te voorkomen. Dank U.' In volkscafé Beveren, bij de kaaien, wordt nog avond aan avond gedanst bij een prachtig klein jazz-orgel in heldere, vrolijke tinten. De waardin heeft paars getoupeerd haar en een parelmoer-kleurige bril. Het publiek zwiert over de dansvloer en ik laat me meevoeren door de wervelende muziek en de gemoedelijkheid. En tot mijn verbazing tref ik mezelf voor 't eerst sinds tijden op de dansvloer aan, dansend op een smartlap.