VS hypocriet in handel met China

President Clinton heeft wederom besloten China's status van 'meest begunstigde natie' (MFN) te handhaven. Ook zal dit belangrijke handelsprivilege niet langer meer gekoppeld worden aan de mensenrechtensituatie in het land. Sinds de gebeurtenissen op het plein van de Hemelse Vrede vijf jaar geleden, is de mensenrechtensituatie in China niet wezenlijk verbeterd. Af en toe kwam er een dissident vrij, maar werden anderen weer opgepakt. Volgens mensenrechtenorganisaties als Amnesty International en Asia Watch is de situatie in 1993 zelfs verslechterd in vergelijking met het jaar daarvoor. De kritiekpunten van de democratiseringsbeweging van 1989 hebben kortom nog niets van hun actualiteitswaarde verloren. Het regime kenmerkt zich door een harde aanpak van dissidenten, corruptie binnen de partijkaders, wispelturigheid en onberekenbaarheid: de gezuiverden van gisteren kunnen de zuiveraars van morgen zijn om vervolgens weer in ongenade te vallen. Ook voert het land nog een mensonvriendelijke bevolkingspolitiek van één kind per gezin op straffe van allerlei sancties. Hoe voorstelbaar ook gezien de bevolkingsdruk in China, een dergelijk beleid leidt in de praktijk tot uitwassen als het vermoorden van (pas geboren) meisjes.

De VS hebben in het verleden vaak niet-economische criteria laten meespelen in hun handelsbeleid, zeker waar het handel met socialistische landen betrof. Als een van de (politieke) beweegredenen om dergelijke landen handelsbelemmeringen op te leggen (of zelfs te boycotten) werd vaak de mensenrechtensituatie opgevoerd. In landen als Cuba of Nicaragua is natuurlijk van alles aan te merken op de mensenrechtensituatie. Tegelijkertijd zijn de handelslrelaties met deze landen voor de VS nooit van erg grote economische betekenis geweest en ze zullen dat ook nooit worden. China daarentegen telt zo'n kwart van de wereldbevolking en is een enorme groeimarkt. De VS (en het Westen als geheel) zullen in de toekomst niet meer om een koopkrachtige middenklasse van enkele honderden miljoenen Chinezen heen kunnen. Nu al levert de handel met China de Amerikaanse bedrijven acht miljard dollar. Clinton stond onder druk van het Amerikaanse zakenleven.

Zijn argument dat Amerikaanse handelssancties Peking slechts zullen isoleren en dat de VS Peking nodig hebben om de nucleaire ambities van Noord-Korea in toom te houden, doet weinig af aan het zakelijke aspect van zijn beslissing. De toezegging dat de VS in ieder geval geen Chinese produkten zullen toelaten die (mede) vervaardigd zijn door politieke gevangenen is prijzenswaardig, maar in de praktijk is dit nauwelijks te controleren.

Een dergelijk economisch pragmatisme beperkt zich overigens niet tot de VS. Ook in ons land vindt Clintons beleid gehoor bij een breed politiek spectrum. De commerciële belangen zijn kennelijk te groot om ons in dit geval al te veel aan de mensenrechten gelegen te laten liggen.

De dissidenten in China hebben intussen het nakijken. Zelfs al zouden handelsmaatregelen tegen een land geen of weinig effect hebben op de mensenrechten ter plekke, dan nog is deze houding hypocriet. Dat geldt binnen de Amerikaanse verhoudingen en zeker ook binnen de Nederlandse verhoudingen. De hele kwestie toont aan dat de relatie tussen handel en mensenrechen het best in multilateraal verband geregeld kan worden en niet zoals nu vaak gebeurt bilateraal - zoals in de Amerikaans-Chinese handelsrelatie. Een mogelijkheid daartoe is bijvoorbeel door sociale of mensenrechtenclausules in het kader van de GATT en te zijner tijd de opvolger daarvan: de Wereldhadelsorganisatie (WTO). Naleving van mensenrechten wordt beloond met handelsvoordelen, schending wordt bestraft met sancties. In een dergelijk multilateraal verband zijn de mogelijkheden tot gelijke beoordeling en behandeling van de handeldrijvende landen, dus ongeacht hun economisch potentieel, in ieder geval groter.