Verse butsen in kast en chauffeur

Van de drie Marokkaanse mannen die bij de Utrechtse politierechter binnenstappen, maakt de tolk nog de meest allochtone indruk: een wit mutsje siert zijn hoofd en hij draagt een lang, wit gewaad boven gele sloffen. Toch wordt hij geacht beter Nederlands te spreken dan de twee Westers geklede verdachten - vader en zoon Elbaroudi - die hij moet bijstaan.

“Hoe lang bent u in Nederland”, vraagt de rechter, mevrouw mr. A. Breedveld, aan de vader.

“Negenentwintig jaar.”

“Dan gaat het toch wel met de taal?”

“Nee.”

De heren zijn zonder advocaat verschenen. “Wij hebben uw advocaat gebeld”, zegt de rechter, “en hij was er niet. Maar u kunt erop vertrouwen dat ik het goed zal doen.”

Daarmee zou niet iedere Nederlandse verdachte genoegen hebben genomen, maar de Elbaroudi's laten het er maar bij zitten. De 30-jarige zoon, Mustafa, blijkt trouwens mans genoeg om de verdediging op zich te nemen.

Vader en zoon worden ervan beschuldigd de heer Saalmans, chauffeur bij een meubelbedrijf, te hebben mishandeld. Saalmans is zelf aanwezig om de zaak als getuige toe te lichten. Niet dat hij dat volgaarne doet - hij treedt met neergeslagen ogen binnen en sluipt bijna naar zijn plaats. Anderhalf jaar geleden is het gebeurd, en Saalmans heeft het nog steeds niet verwerkt.

Saalmans vervoegde zich op 3 november 1992 met een bijrijder bij de woning van de Elbaroudi's om een tweedehandskast van 300 gulden af te leveren. De zoon - en mogelijk ook de vader - kwam naar beneden om de kast te inspecteren. Er ontstond meteen enige wrijving omdat Saalmans niet bereid was de kast naar boven te slepen. Toen de zoon bovendien gebreken aan de kast ontdekte, was Saalmans in last.

In sobere bewoordingen vertelt hij wat hem overkwam. Hij was het eens geweest met de klacht - dat had hij meteen gezegd. De kast vertoonde 'verse butsen'. Het moet een fout geweest zijn van een collega die de auto had ingeladen. Saalmans probeerde uit te leggen dat hij ter plekke niet méér kon doen dan een tegoedbon uitschrijven. Hij ging achter het stuur van zijn vrachtauto zitten om de bon in te vullen.

Toen hij de bon, vóór zijn bijrijder langs, aan de Elbaroudi's probeerde te overhandigen, werd hij met een ruk naar buiten getrokken. Even hing hij ondersteboven uit het portier, toen stortte hij met het hoofd omlaag op de grond. Daar kreeg hij nog de nodige schoppen.

Saalmans weet niet zeker wie hem toegetakeld heeft. De vader, de zoon, beiden? “Het ging zo snel. Ik weet nog dat een witte trui voor mijn ogen zweefde.”

Hij kan zich herinneren dat senior zich verbaal het meest had opgewonden.

“Sprak hij dan goed Nederlands”, vraagt de rechter verbaasd.

“Hij kon zijn teleurstelling goed duidelijk maken”, zegt Saalmans. “Hij wilde meteen zijn geld terug.”

De mishandeling werd afgebroken door een Marokkaanse vrouw in Berber-kledij die later moeder Elbaroudi bleek te zijn. “Voor haar heb ik groot respect”, zegt Saalmans. Later bleek dat hij een lichte hersenschudding en een gekneusde schouder had opgelopen. De psychische schade was ernstiger. Hij heeft zich sinds dit incident nooit meer op zijn gemak gevoeld in zijn werk, en hij overweegt nog steeds een andere baan te zoeken.

De rechter vraagt hem of hij de twee verdachten kan identificeren als zijn aanvallers. Merkwaardig genoeg heeft zo'n confrontatie niet eerder op een politiebureau plaatsgehad.

“De jongste herken ik wel”, zegt Saalmans, “maar van de oudste kan ik me het gezicht niet meer goed herinneren.”

“Kijkt u nog eens goed”, maant de rechter hem.

“Hij zou het kunnen zijn, maar ik weet het niet zeker. Ik ben toen zó geschrokken, zoiets had ik nog nooit meegemaakt. Ik was na afloop verward en bang, en eigenlijk ben ik nog steeds bang.”

De jonge Elbaroudi steekt van wal. Eerst in het Marokkaans, via zijn tolk, maar dan grijpt de rechter in. Zij is een tamelijk kort aangebonden dame, die de verdachte geen moment de illusie zal geven dat zij zich knollen voor citroenen laat verkopen. “U kunt het wel in het Nederlands”, zegt ze tegen Mustafa, “want u heeft hier uw opleiding gehad.”

En Mustafa begint inderdaad in toegankelijk Nederlands zijn verhaal. Volgens hem is er niet zoveel gebeurd. Van slaan en schoppen is geen sprake geweest, wèl kan hij zich herinneren dat Saalmans 'met een douw' begonnen is.

De rechter houdt hem de belastende getuigenis van de bijrijder voor. Ook volgens hem heeft zowel vader als zoon aan de mishandeling deelgenomen.

“Dat zijn twee getuigen”, zegt de rechter retorisch, “hoeveel moet ik er hebben? Vijf?”

“Ja, vijf”, zegt Mustafa, en hij richt, als een volleerd advocaat, zijn pijlen meteen op de kwetsbaarste plek van de aanklacht: de beschuldiging aan het adres van de vader. “Wie was die oudste man? Mijn vader? Maar die was er niet bij!”

“Wie zegt dat”, vraagt de rechter.

“Ik!”

Mustafa lijkt zich meer vastgebeten te hebben in de verdediging van zijn vader dan in die van hemzelf. De rechter schermt nog even met de getuigenis van een broer die gezegd heeft dat vader en zoon omstreeks dat tijdstip inderdaad thuis waren. Maar overtuigend klinkt het niet.

De officier van justitie, mr. R. Terpstra, meent over voldoende bewijzen tegen beide verdachten te beschikken. “De getuigeverklaringen zijn duidelijk genoeg, evenals de medische verklaringen.” Hij eist een boete van 500 gulden - de Elbaroudi's hadden eerder een transactie van 400 gulden geweigerd. Aan smartegeld eist hij de 200 gulden die Saalmans gevraagd heeft.

“Ik ben het er niet mee eens”, zegt Mustafa. “Waarom moet mijn vader erbij gehaald worden? Wie zijn de getuigen? Laat de getuigen maar komen.”

“Het is me duidelijk”, onderbreekt de rechter hem. “De vader spreek ik vrij, ik ben er niet van overtuigd dat hij erbij was. Maar over het aandeel van Mustafa twijfel ik niet. Deze zaak bewijst weer eens hoe geweldig veel schade zulke zaken het slachtoffer kunnen berokkenen.” Ze veroordeelt Mustafa tot een boete van 600 gulden gulden, waarvan 300 gulden voorwaardelijk, en een schadevergoeding van 200 gulden aan Saalmans. “Als u niet betaalt, moet u twaalf dagen zitten.”

Als vader, zoon en tolk de zaal hebben verlaten, zegt Saalmans tegen de rechter: “Hoe kom ik hier weg, zonder dat ik ze tegenkom?”

“U blijft hier gewoon nog even zitten”, zegt de rechter.

De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gefingeerd.