Uittreden uit IAEA is een logische stap

De aankondiging van Noord-Korea om het lidmaatschap van het Internationale Atoomenergie Agentschap IAEA op te zeggen is op zichzelf een logische reactie op het besluit van het IAEA om zijn technische bijstand op niet-militair nucleair gebied op te schorten. Maar een verlies van het IAEA-lidmaatschap hoeft safeguard-inspecties in het kader van het Non-Proliferatie Verdrag (NPV) niet in de weg te staan. Het opzeggen van het NPV zou een veel drastischer maatregel zijn, maar tot nu toe heeft Noord-Korea het in dit verband bij dreigementen gelaten.

De safeguards-overeenkomst van het NPV voorziet in betalingsregelingen voor landen die geen lid zijn van het IAEA, aldus woordvoerder drs. R.J.S. Harry van het ECN in Petten. Er bestaan dan ook tientallen landen die wèl het NPV-verdrag hebben ondertekend, inclusief de 'safeguards', maar die geen lid van het IAEA zijn geworden. Het zijn overwegend - maar niet uitsluitend - ministaatjes zonder noemenswaardige nucleaire inspanning. “In de praktijk zouden, is wel eens beweerd, uitsluitend de NPV-landen die IAEA-lid zijn safeguard-inspecties ondergaan.”

Het IAEA is een organisatie die 'in het verband van de Verenigde Naties' strikt autonoom opereert en door een beheersraad (Board of Governors) wordt bestuurd. Een land wordt lid van het IAEA als het contributie betaald èn als het als staat erkend is. Het verliest zijn lidmaatschap als aan een van de twee een einde komt.

Hoewel het IAEA tegenwoordig in één adem wordt genoemd met de handhaving van het NPV-verdrag (opgesteld in 1968, van kracht sinds 1970) heeft het bureau al vanaf zijn oprichting in 1957, dus lang voor het NPV bestond, safeguard-inspecties uitgevoerd. De taak van het IAEA is altijd geweest: bevorderen van de vreedzame toepassing van kernenergie in de ruimste zin van het woord. Daartoe moest een vrij verkeer van nucleaire goederen mogelijk worden en een exportland dat vreesde dat te exporteren materiaal een militaire toepassing zou krijgen kon het IAEA om een safeguards-regeling vragen. Nog steeds kan men elke willekeurige zending onder zo'n safeguards-regeling laten plaatsen.

Nog altijd oefent het IAEA ook belangrijke taken uit buiten de safeguards-inspecties. Van het 'regular budget' van het IAEA, dat tegenwoordig ruwweg op 200 miljoen dollar staat (maar in de praktijk door achterstallige contributies lager uitkomt), wordt maar zo'n 60 miljoen dollar uitgetrokken voor de safeguards. Het merendeel van de uitgaven wordt gestoken in zaken als bevordering van reactorveiligheid, medische toepassing van kernenergie en de relatie tussen kernenergie en milieu. Een land dat contributie betaalt aan het IAEA mag verwachten daarvoor dit soort steun terug te ontvangen.

Afgelopen vrijdag besloot de beheersraad van het IAEA niettemin een deel van de technische hulp aan Noord-Korea op te schorten. Formeel kan het IAEA aanvoeren dat het niet langer zeker is van een niet-militair gebruik van de steun. Het zal van de aard van het afgebroken programma afhangen of dat een serieus argument is te noemen of dat beëindiging van de hulp in de eerste plaats een politiek signaal is.

Een staat die het NPV ondertekent moet statutair binnen een half jaar ook een safeguards-overeenkomst te sluiten, in de praktijk is een grote afstand tussen het een en het ander ontstaan, ook bij minder verdachte staten als Noord-Korea. Opzegging van het verdrag is geregeld in artikel 10 dat elke staat het recht geeft het verdrag op te zeggen als 'buitengewone gebeurtenissen' de 'opperste belangen' van het land in gevaar brengen. Met een opzeggingstermijn van drie maanden moet zo'n land zijn besluit meedelen aan alle NPV-leden en aan de Veiligheidsraad.

De huidige ophef over het vermeende kernwapenprogramma van Noord-Korea contrasteert met de gelatenheid waarmee de internationale gemeenschap destijds accepteerde dat Israel, India, Pakistan, Zuid-Afrika (toen geen van alle NPV-lid) en Irak (wel lid) openlijk een kernwapen ontwikkelden. Een verklaring daarvoor is te vinden in het besluit om na de ervaringen met Irak meer ernst te maken met de handhaving van het NPV-verdrag en het feit dat volgend jaar (statutair 25 jaar na het van kracht worden van het NPV) over voortzetting van het verdrag besloten moet worden.