Rentree van het jongejannen

Een oud werkwoord maakt deze maand zijn rentree bij het Nederlandse toneel. In een tent tegenover het bijzondere Hotel New York in Rotterdam spelen Loes Luca en Peter Blok gezamenlijk het schilderachtige stuk Twee van Jim Cartwright, geheel volgens de bedoelingen van de auteur: hij schreef veertien rollen en construeerde de handeling zodanig dat die allemaal door dezelfde twee acteurs kunnen worden vertolkt. “Wat acteurs die Twee spelen, goed moeten kunnen, is jongejannen,” verklaart regisseur Ian Pieters in de programmakrant. “Dat betekent dat ze zo snel mogelijk, binnen enkele seconden, van de ene rol in de andere stappen.” Luca en Blok zijn daarin, aldus de regisseur, “ware meesters.”

Maar de echte meester in het genre moet vanzelfsprekend de man zijn die dit spectaculaire jongejannen zijn naam heeft gegeven: de acteur Henri de Vries (1864-1949). Uit zijn gedenkschriften, die hij op 83-jarige leeftijd in boekvorm publiceerde onder de titel Mijn mémoires, treedt De Vries naar voren als een avontuurlijke, veelzijdige en weldadig onbescheiden man die blijkens het voorwoord van toneelleider Cor van der Lugt Melsert beschikte over “een goed figuur, een knap uiterlijk, een goede stem en een groote dosis talent”. En zijn carrière stond grotendeels in het teken van de voorstelling Brand in de Jonge Jan.

Als telg uit een toneelspelersgeslacht dat door buitenechtelijke bezigheden ook gelieerd was aan Louis Bouwmeester en Theo Mann-Bouwmeester, vond hij al snel emplooi bij diverse grote toneelgezelschappen uit zijn tijd. Toen hij de dertig gepasseerd was, beviel dat werk hem echter steeds minder. Een ondergeschikt acteur moest immers altijd maar afwachten wat de directie hem aan rollen liet spelen. “Bovendien, ik was jong en ik wilde afwisseling, beweging, kleur in m'n leven hebben.”

Zijn kansen keerden in december 1899, toen hij verbonden was aan de Nederlandsche Tooneelvereeniging en daar een kleine vaderrol zou vertolken in Het Zevende Gebod van Herman Heijermans. Maar een paar dagen voor de première kreeg hij te horen dat hij de verloederde Belg moest overnemen van een ziek geworden collega. Een ander werd zijn vaderrol opgedragen. “Goed - we begonnen te repeteeren. Heijermans woonde de repetities dikwijls bij en op een dag fluisterde hij me toe, dat de acteur, die met vader Dobbe 'doende' was, niet erg geschikt voor die rol leek. En dat was ook zoo.” Heijermans vroeg De Vries, die tevens als regisseur fungeerde, of er geen ander was. “En toen kreeg ik opeens het lichtende idee en ik zei tegen Heijermans: ik kan beide rollen spelen als je me in de laatste acte maar even tijd laat door in de tekst iets bij te voegen, want als Dobbe de deur uit gaat, komt Ricaudet dadelijk binnen.”

Trots schrijft De Vries dat niemand er iets van merkte en dat Heijermans na een paar voorstellingen tegen hem zei: “'t Is verdomd goed! Wil je het blijven spelen?” Zo rijpte in het hoofd van de toneelspeler een vermetele gedachte: “Wanneer ik maar een tooneelstuk had, waarin ik meerdere rollen kon spelen [...], zou ik niet alleen iets nieuws brengen, maar ik zou om zoo te zeggen tevens over mijn eigen gezelschap beschikken, ik behoefde niet meer bij nu eens deze en dan weer die directie aan te kloppen: mag ik alsjeblieft een rol spelen - ik zou niemand meer noodig hebben dan mezelf.”

Hij trok de stoute schoenen aan en benaderde Heijermans, die na enige tijd in zijn dagelijkse feuilleton in het Algemeen Handelsblad onder de titel Brand in de Jonge Jan een eenakter met zeven rollen voor één acteur publiceerde. De Vries knipte de teksten uit, plakte ze op en trok de duinen in. “Daar, in de natuur en met mezelf alleen, had ik binnen een uur de zeven karakters te pakken met hun verschillende stemmen.” Toen daarna een vriend “op een paar bierviltjes” de zeven personages uittekende, had De Vries ook visueel houvast: “En zóó heb ik ze gekleed en gepruikt, en met die figuren voor ogen ben ik begonnen aan de voorbereidingen.”

De in de titel vereeuwigde Jonge Jan was een vuurtoren, waarin een brand heeft gewoed waarbij het kind van de bewoner, de eenvoudige sigarenmaker Jan Arend, om het leven kwam. Diens achterlijke en ietwat versufte broer Ansing werd ervan verdacht de brand te hebben aangestoken. Heijermans situeerde de handeling in het kantoor van de officier van justitie, die betrokkenen en getuigen ondervroeg: Jan Arend, Ansing, de schoonvader van Jan, een pedanteveldwachter, een gladde herbergier, een goedmoedige kruidenier en een exuberante verver. Omdat die zeven figuren om de beurt op het matje kwamen, konden ze door één acteur worden gespeeld. Alleen voor de officier en de bode was een extra acteur nodig.

De première, op 5 november 1903 in de Hollandsche Schouwburg in Amsterdam, was een triomf. Luide werd Heijermans toegejuicht om het menselijke drama van de ten onrechte verdachte Ansing en De Vries om zijn verbluffende transformatie-talent. “De avond van gisteren is voor de kunst van de Heer H. de Vries van groote betekenis,” schreef de vooraanstaande J.H. Rössing in het Nieuws van den Dag. Heijermans betrad knikkend de kleedkamer en zei: “Goed! Uitstekend! Ik wist niet dat dat erin zat!” Maar nog groter was het onbedoelde compliment van hoofdredacteur Zoethout van het blad De Echo, die schreef niet te geloven dat het in alle rollen steeds dezelfde acteur was geweest. Keer op keer bracht De Vries zijn voorstelling terug en telkens juichten de critici. “Het is werkelijk meesterlijk,” bracht de befaamde J.B. Schuil van het Haarlems Dagblad nog in 1922 uit.

Intussen zag Henri de Vries de kans schoon zijn specialisme ook buitenslands te exploiteren. In februari 1905 ging hij met A Case of Arson in première in het Royalty Theatre in Londen en oogstte opnieuw unanieme lof. “Playgoers in search of a new thrill, will certainly find it in the extra ordinary performance of Mr. Henri de Vries,” schreef de gezaghebbende man van The Times. In januari 1907 waren de reacties in New York navenant. “A very great artist,” vond de recensent van de New York Times na de Broadway-première. De Vries, die in Nederland niet meer dan 4000 gulden per jaar verdiende, streek daar 2000 dollar per week op. Vervolgens werd hij in Berlijn, waar zijn voorstelling Der Brandstifter heette, geëerd als der grosze Menschendarsteller. Ach, zegt hij in zijn memoires, hij was nu eenmaal een polyglot en dat is “een gave om je handen bij dicht te knijpen”.

Hoewel hij sedertdien nog een groot aantal rollen speelde - en in Berlijn, Londen en Hollywood een succesvol acteur in (zwijgende) films was - bleef de roem van Henri de Vries voornamelijk verbonden aan Brand in de Jonge Jan. Al in 1904 schreef Herman Heijermans met vriendelijke spot dat hij een acteur in de bloei van zijn carrière een stempel had opgedrukt waarvan die zich niet meer kon bevrijden: “'k Heb een man, een begaafde, in de opkomst van zijn talent verjongejand, zijn voelen verjongejand, zijn denken verjongejand, zijn belangstelling voor kunst verjongejand, zijn toekomst verjongejand.” Daarmee was het nieuwe werkwoord geboren. De Vries antwoordde de schrijver in zijn memoires dat hij er nimmer spijt van had gehad: “Daarbij komt - en ik erken het ronduit - ik verdien met mijn werk graag geld en zoo mogelijk veel geld.”

Vlak voor zijn dood beraamde Henri de Vries nog een nieuwe toernee. Nadien is Brand in de Jonge Jan in de beroepssector nog twee keer gespeeld. Jan Lemaire, die de hand had weten te leggen op de originele kostuums en pruiken, reisde er in 1953 mee rond onder auspiciën van de Algemene Nederlandse Metaalbewerkersbond. Volgens de NRC-recensent evenaarde hij De Vries. En de uit het vormingstoneel afkomstige Martin Schüller trad er in 1976 nog tien avonden mee op in een festival in de Nes in Amsterdam. “Ik had het vaak zien spelen door mijn vader, die een verwoed amateurtoneelspeler was, vandaar. 't Is echt uitpakken voor een acteur, héérlijk.”

Schüller denkt niet dat de tekst inmiddels gedateerd is. “Het gaat over het stichten van brand om daarmee de verzekering op te lichten,” zegt hij. “Dat lijkt me niet achterhaald.” Maar meer nog dan het stuk is het daaraan ontleende werkwoord blijven hangen. Men kan naar hartelust jongejannen - zie Loes Luca en Peter Blok - zonder dat er één woord Heijermans aan te pas komt.