Oude Pekela en het ongeloof

De reactie van J.W. Nienhuys (NRC Handelsblad, 28 mei) op mijn artikel van 21 mei over Oude Pekela illustreert hoe men bij gebrek aan objectieve benadering van een probleem een totaal tegengestelde visie toch als 'geloofwaardig' kan voorstellen. Nienhuys maakt ridiculiserende doch niet-gefundeerde opmerkingen over politiewoordvoerder Maring: “Op 5 juni slingerde voorlichter Maring uit Oude Pekela een paniekerig perscommuniqué de wereld in, waarin zeventig ondervraagde kinderen opeens zeventig misbruikte kinderen waren”. Merkwaardig is dat zeven jaar na de 'feiten' voor het eerst dergelijke negatieve opmerking over Maring gemaakt wordt, die destijds alles in het werk heeft gesteld om geen paniek te zaaien. Maring was de officiële woordvoerder van de Rijkspolitie in Groningen, hij gaf het bewuste communiqué niet uit, integendeel hij was het juist die het persbericht corrigeerde (kranten van 10 juni 1987) en het is bovendien Maring die later als eerste toegegeven heeft dat dit persbericht vanwege de dienstdoende woordvoerder van de politie (zonder de man met naam te noemen) erg ongelukkig opgesteld werd en stelde: “Het is een leerproces geweest” (Nieuwsblad van het Noorden, 9 juli 1987).

Een tweede fout van Nienhuys is dat hij uitgaat van een verkeerde premisse als: “Er worden geen absolute bewijzen gevonden voor de mishandeling, dus er heeft geen mishandeling plaatsgevonden.” Stelling die ik in mijn bijdrage overigens al vermeldde, maar waar Nienhuys aan voorbij gaat. Nienhuys: “Severein baseerde zich ondermeer op het onderzoek op 17 mei 1987 in het Sint Lucasziekenhuis in Winschoten van 44 kinderen, waar niets gevonden werd, ... (resultaat: nihil)”. Hier legt Nienhuys een conclusie (in plaats van objectieve informatie) in de mond van Severein. Objectiever is het te stellen dat de politie reeds op 12 mei, dus drie dagen na de eerste melding, verklaarde dat “de kinderen gedwongen werden tot het verrichten van uitwendige seksuele handelingen.” Welnu elke deskundige weet en elke leek begrijpt dan dat een somatisch onderzoek een week later geen enkel fysisch bewijs meer zal opleveren van de seksuele mishandelingen. Wanneer Nienhuys zich vollediger geïnformeerd had, dan had hij ook een citaat van de desbetreffende kinderarts kunnen vermelden, die als volgt concludeerde: “Ik ben er zeker van dat er iets afschuwelijks met de kinderen is gebeurd. Dat is toch voldoende” (zie: Vrij Nederland, 8 september 1988).

Nienhuis trekt onlogische conclusies: “Pycks vermoeden dat hij de politie niet over massahyserie sprak is misplaatst.Het krantebericht van 21 mei sprak over massahysterie. En op 25 mei 1987 hield Severein in het Nieuwsblad van het Noorden voet bij stuk, en werd als volgt geciteerd: “Het is verstandiger om mensen niet onnodig ongerust te maken. Er zou een sfeer van massahysterie kunnen ontstaan”. De logica van deze redenering ontgaat mij. Hoe komt men tot een conclusie dat iemand overtuigd is dat een fenomeen zich zou hebben voorgedaan, omdat diezelfde persoon juist iets doet om het fenomeen te voorkomen?Nienhuys demonstreert zijn gebrek aan objectiviteit door bepaalde woorden uit hun context te citeren: “Karel Pyck schrijft dat het stokjesverhaal door Hofstede is bedacht. Dit is onjuist”. Nienhuys stelt dan verder dat Severein voor het eerst over 'stokjes' gepraat heeft op 21 mei 1987. Nienhuys is niet objectief omdat hij mijn citaat reduceert tot 'het stokjesverhaal' en er niet bij vermeldt dat ik het heb over het verhaal van Rossen, die stelt “dat alles te herleiden is tot twee jongetjes, die met elkaar seksspelletjes in de struiken speelden en daarbij lichte anale verwondingen opliepen”. Natuurlijk ken ik ook de uitspraken van Severein en kan er zelfs aan toevoegen dat Severein het enkel over een hypothese heeft, die hij trouwens niet als de meest plausibele ziet. Doch het volledige verhaal zoals door Rossen gebracht, vond ik inderdaad voor het eerst en duidelijk bij Hofstede één jaar na de feiten.

Bert van Gelder (4 juni) gaat in zijn reactie op hetzelfde voorbij aan de argumenten waarmee ik mijn hypotheses onderbouw. Bovendien manipuleert hij mijn uitspraken. Twee voorbeelden. In mijn bijdrage heb ik het over de meest plausibele hypothese over de gebeurtenissen in Oude Pekela, en niet over zekerheden zoals Van Gelder suggereert. Het is hem bovendien ontgaan dat in mijn hypothese er geen pedofielen actief geweest zijn in Oude Pekela. Toch ontwaart hij een aanval op een duivels pedofielencomplot.