Gemeenten versus rijk

Sinds 1982 maakt de centrale overheid enige ernst met het voornemen de collectieve uitgaven in te tomen. In totaal zijn het afgelopen decennium bij de uitgaven van overheid en sociale fondsen enkele tientallen miljarden guldens weggeschrapt. Gegeven het toelaatbaar geachte uitgaventotaal moet elk jaar worden beslist hoeveel middelen toekomen aan de rijksoverheid, de lagere overheden en de sociale verzekeringen. In het gevecht om de beschikbare middelen zijn de lagere overheden veruit de zwakste partij, omdat zij voor de financiering van hun uitgaven - waarmee dit jaar bijna zestig miljard gulden is gemoeid - in hoge mate van de centrale overheid afhankelijk zijn. Uit eigen middelen dekken de gemeenten slechts 12 procent van hun uitgaven. Voor het overige zijn zij aangewezen op geld uit Den Haag. De uitkering uit het Gemeentefonds is goed voor 28 procent van de gemeentelijke uitgaven. Allerlei specifieke uitkeringen vormen de voornaamste inkomstenbron voor de gemeenten (60 procent). De bestemming van deze overdrachten uit Den Haag ligt vast: het geld is bedoeld voor bijstandsuitkeringen, sociale woningbouw, stadsvervoer, onderwijs en zo meer.

Bij bezuinigingsronden werden de gemeenten in de eerste helft van de jaren tachtig meer dan evenredig aangeslagen. Vervolgens kwam een bestuursakkoord tot stand. Daarbij werd onder meer afgesproken dat gemeenten evenredig zouden meedelen in bezuinigingen die nodig zijn door macro-economische tegenvallers. Het paarse kabinet gaat de komende jaren tussen de 15 en de 20 miljard gulden ombuigen. Een belangrijk deel van de zo verkregen financiële ruimte is bestemd voor lastenverlichting. Volgens geldende afspraken behoeven gemeenten in die bezuinigingen niet mee te delen. Dat ligt echter wel in het voornemen van de landelijke politici. Zij willen ruim anderhalf miljard gulden korten op de uitkering uit het Gemeentefonds. Tal van subsidies liggen daarnaast op het hakblok. Gaan die plannen door, dan raakt de verhouding tussen Den Haag en de gemeenten ernstig verstoord.

De plaatselijke overheden hebben andere redenen voor wrevel jegens de centrale overheid. Den Haag houdt de gemeenten kort via tal van regels. Gemeenten zijn echter goed in staat hun eigen boontjes te doppen. Cijfers tonen bijvoorbeeld aan dat het financieel-economische beleid de afgelopen tien jaar bij de lagere overheden in betere handen is geweest, dan bij de centrale overheid. Oordeel zelf.

De laatste drie regeerakkoorden bevatten onder andere een norm voor de collectieve-lastendruk (mocht niet omhoog) en het financieringstekort (moest omlaag). In de periode 1985-1992 is het peil van de collectieve lasten echter opgelopen van 52,6 tot 53,9 procent van het nationaal inkomen. De hoofdschuldige was het Rijk. De opbrengst van de rijksbelastingen steeg in de beschouwde periode met ongeveer 60 procent. De stijging van de 'echte' belastingen van de gemeenten (met 40 procent) bleef hierbij duidelijk achter. Deze fiscale prudentie van gemeentebestuurders is heel wel verklaarbaar. Gemeentelijke belastingen zijn goed zichtbaar, door de manier waarop zij worden geheven en ingevorderd (via aanslagen). De heffingsgrondslag (eigen huis, hond) raakt bij veel contribuabelen een gevoelige snaar. In scherp contrast met de gematigde stijging van de echte gemeentebelastingen, vloog de opbrengst van de gemeentelijke heffingen in de periode 1985-1992 met 150 procent omhoog, met name als gevolg van een spectaculaire stijging van de reinigings- en de rioolrechten. Deze lastenverzwaring werd echter in feite door de centrale overheid opgelegd, via aangescherpte milieuwetgeving.

Het financieringstekort van de gehele overheid is tussen 1985 en 1992 met 2,5 procent-punt van het nationaal inkomen gedaald. De lagere overheden brachten hun bescheiden tekort tot ongeveer nul terug, terwijl zij uitsluitend leenden voor investeringsdoeleinden. Het Rijk leende ook voor lopende uitgaven. Mede hierdoor is het staatsvermogen in de beschouwde periode met 123 miljard gulden uitgehold. De bezittingen en reserves van de gemeentelijke overheden namen daarentegen met 6 miljard gulden toe.

Uitbreiding van overheidsinvesteringen en personeelsvermindering waren de afgelopen tien jaar uitdrukkelijk doelstelling van het beleid dat de centrale overheid voerde. De investeringen van gemeenten zijn in de periode 1985-1992 met 23 procent gestegen, terwijl de investeringen van het Rijk met 3 procent afbrokkelden. De afslanking van personeelsaantallen is bij de gemeenten veel krachtiger doorgezet dan bij de rijksoverheid het geval was. Omdat de afgelopen jaren nogal wat taken naar de gemeenten zijn gedecentraliseerd, zou op voorhand juist een grotere personele afslanking bij de ministeries voor de hand hebben gelegen.

Eén conclusie dringt zich na dit alles op: de zorg voor de schatkist kan de komende vier jaar misschien maar het beste worden toevertrouwd aan een oud-wethouder van financiën.