Galmende liefde tussen twee schizofrenen

Voorstelling: Hiemelstuk (naar März van Heinar Kipphardt) door Theatergroep Hollandia/Het Kruis van Bourgondië. Regie: Johan Simons; dramaturgie: Tom Blokdijk; decor: Henri Simons. Spel: Martin de Smet en Juul Vrijdag. Gezien: 11/6 kerkje Ruigoord. T/m 26/6 aldaar. Inl.: 075310231.

Op de toneelvloer staat een sculptuur in de vorm van twee dunne lippen. Een lelie aan een steel is in de spleet geschoven. Dit lip-, spleet- en schedevormige beeldhouwwerk illustreert het thema van Hiemelstuk op haast freudiaanse wijze. Alexander, de held van de voorstelling, is schizofreen. Hij kwam ter wereld met een hazelip, zijn vader haatte hem en zijn moeder hield hem angstvallig verborgen. Zo leidde de spleet in zijn gehemelte tot een gespleten persoonlijkheid. Hanna, Alexanders geliefde, komt uit een incestfamilie. De bloem in de gebeeldhouwde vulva verwijst naar Hanna's verlangen naar onschuld. Een oom (of haar vader) bezwangerde haar toen ze zestien was en sindsdien noemde men haar een hoer.

Een liefdesgeschiedenis tussen twee schizofrene mensen - dat is een mooi gegeven. Heinar Kipphardt schreef er een prachtig boek over en noemde het kortweg März. Het is hartverscheurend om te lezen hoe twee gestichtsbewoners door hun liefde voor elkaar tot leven komen - en dan toch ten onder gaan.

In Hiemelstuk echter, gebaseerd op Kipphardts roman, ontbreekt die tragische dimensie omdat het de toeschouwer, in tegenstelling tot de lezer, heel moeilijk wordt gemaakt sympathie voor de personages op te vatten. Martin de Smet en Juul Vrijdag spreken hun tekst overdreven hard en houterig uit zodat hij amper genietbaar is. Die afstandelijke dictie heeft weinig met Alexanders spraakgebrek of Hanna's geremdheid te maken: dit is puur maniërisme. De slechte akoestiek in het kerkje van Ruigoord maakt het allemaal nog erger. Traag en galmend rollen de woorden door de ruimte, alsof we in een ouderwetse amateurvoorstelling verzeild zijn geraakt.

Al even gekunsteld is het spel. Dat Alexander (die zichzelf hier consequent Martin noemt) en Hanna de inrichting zijn ontvlucht en zich nu in de Graubündener Alpen in leven houden met het maken van kaas, blijkt niet uit plastische scènes, maar uit het opdreunen van een recept. De twee kaasmakers voeren niets uit, ze zitten alleen maar stijf naast elkaar, op ongemakkelijke keukenstoelen.

Geen wonder dat daar weinig van de liefde terechtkomt. In hun dikke schapevachten, de benen omwikkeld met lappen, blijven zij nagenoeg onbereikbaar voor elkaar - èn voor het publiek, dat zulke karikaturale wezens nauwelijks serieus kan nemen. De constant openhangende mond van Juul Vrijdag, het trekkebekken van De Smet - een erg subtiele indruk maakt het niet. En als de complete ziektegeschiedenis van Alexander dan ook nog eens nonchalant wordt voorgelezen in plaats van voorgespeeld, weet ik het zeker: dit is een gemakzuchtige voorstelling en een slechte reclame voor het boek.

Ten slotte wordt er toch nog even echt theater gemaakt ('De schizo is vooral een acteur', schrijft Kipphardt immers), maar dan is het al te laat. Terwijl koorzang uit Bach's Mattheüs-Passion door de speakers schalt, rukt de man een kruis uit een doornhaag. Hij zeult er triomfantelijk mee door de kerk, alsof hij zijn eigen lijdensweg in scène zet. Zelfs deze godslasterlijke scène sticht geen verwarring. Integendeel: de toch al zo nadrukkelijke symboliek valt nu netjes op haar plaats.