Er zijn nu wel genoeg varkens

In Brabant zijn al te veel varkensstallen, en daarom verhuist de intensieve veehouderij naar de kleigronden van Groningen en Zeeland. Dat is een verkeerde ontwikkeling, vindt D. Ader.

De overheid zou de bouw van nog meer stallen moeten verbieden.

Overal op de kleigronden van Nederland verrijzen de laatste jaren de stallen van de intensieve veehouderij. Af en toe wordt op dat sluipend proces de aandacht gevestigd; laatstelijk door de burgemeester van Hontenisse die in wanhoop de minister van milieubeheer te hulp riep om het tij te keren. Tevergeefs, want de minister vond het wel best zo: “...in Zeeland is weinig bos en natuur te vinden die gevoelig zijn voor de verzurende invloed van de stallen. Als het niet gaat om feitelijke uitbreiding van de veestapel, is het de vraag of je het ongewenst moet vinden. Zeker als de druk wordt weggenomen van de uiterst gevoelige gebieden in Brabant”. Aldus de minister, volgens de krant van 8 juni.

Weinig verrassend van een demissionair minister. Van hem mag nu eenmaal niet méér verwacht worden dan dat hij het bestaande kabinetsbeleid uitdraagt. En dat kabinetsbeleid gaat nog steeds uit van de premisse dat intensieve veehouderij een wenselijke activiteit is, waarbij er hoogstens sprake moet zijn van terugdringing en spreiding van de schadelijke milieu-effecten. Dat kabinetsbeleid sluit uitbreiding van intensieve veehouderij ook niet uit, als dat maar buiten de ecologisch kwetsbare gebieden gebeurt.

Intensieve veehouderij is echter een onwenselijke activiteit, en wel om de volgende redenen: 1. Intensieve veehouderij is een van de belangrijkste bronnen van bodem-, water- en luchtverontreiniging. Het gaat daarbij niet alleen om verzuring, ook om atrofiëring van oppervlaktewater, om nitraten in grondwater en om domweg verpesting van het leefklimaat door stankoverlast. De overheid heeft de problemen eerst tien jaar lang ontkend en is nu sinds een jaar of vijf bezig met een beleid van symptoombestrijding dat veel te wensen overlaat. Zo was er op 9 juni alweer in de krant te lezen dat geconcludeerd moet worden dat de maatregelen tegen het mestoverschot 'fraudegevoelig' zijn. De overheid verdient niet beter dan op het punt van het mestbeleid door de burger met wantrouwen bejegend te worden. De enige remedie waarin de burger fiducie kan hebben is reductie aan de bron: terugdringing van de intensieve veehouderij.

2. Intensieve veehouderij drijft op de import van nutriënten uit derde-wereldlanden. Nutriënten die daar veelal gewonnen worden in roofbouw. Dankzij de hypotheek die aldus op de ontwikkeling van die landen wordt gelegd is het vlees hier een paar dubbeltjes per ons goedkoper. Dankzij die onbetaalde rekening en EG-subsidies exporteren wij voorts dat vlees van de intensieve veehouderij tegen dumpprijzen en maken het aldus voor extensieve veehouders elders onmogelijk een droge boterham te verdienen. Intensieve veehouderij hier fnuikt duurzame ontwikkeling elders.

3. Intensieve veehouderij degradeert dieren tot dingen die in strijd met hun normale gedragspatronen en behoeften in hokken worden gepropt om ze zo snel mogelijk voer om te laten zetten in vlees of eieren.

De lobby achter de intensieve veehouderij voert 'werkgelegenheid' en 'exportbelang' aan als argumenten voor het continueren en uitbreiden van de activiteiten. Werkgelegenheid is een zwaarwegend argument in deze barre tijden. Maar bij een analyse van de bijdrage van de intensieve veehouderij aan de werkgelegenheid in Nederland dient een vergelijking te worden gemaakt met de werkgelegenheid die alternatieve produktie-methoden te bieden hebben. Volgens een artikel in deze krant van 26 november jongstleden zijn de werkgelegenheidseffecten van gediversifieerde veehouderij groter dan die van de intensieve veehouderij. Hetzelfde geldt voor de berekening van de bijdrage aan de betalingsbalans. In algemene termen: het gaat uiteindelijk om de beoordeling van de maatschappelijke kosten en baten van de intensieve veehouderij in vergelijking met die van alternatieven. Met inbegrip van de externe effecten en bijkomstigheden als dierenleed.

Het is aan de overheid het initiatief te nemen bij het stimuleren van de ontwikkeling en toepassing van alternatieven waarvan de maatschappelijke kosten/ batenanalyse het meest positief uitvalt. Onder andere door bestaande onvolkomenheden in de markt te corrigeren. Het effect van alternatieve produktiemethoden kan zijn dat de consument iets meer zal moeten gaan betalen als aan hem de werkelijke kosten van zijn consumptie worden doorberekend. Maar die kant wilden we toch op?

Van de ontwikkelingen van de laatste twintig jaar zijn de boeren nauwelijks wijzer geworden. Het milieu heeft aanzienlijke schade opgelopen. We hebben al doende mensonwaardig dierenleed berokkend. En ontwikkeling elders gefrustreerd. Tijd voor een breuk met dat verleden. Te beginnen met een absoluut moratorium op nieuwbouw van varkensstallen als eerste stap op weg naar sanering en herstructurering van de sector. Geen beter moment dan dat van het opstellen van een nieuw regeerakkoord en het aantreden van een nieuwe regering.