Een goeie koe

Ik wees eens naar een koe en zei dat ik haar mager vond. Haar baas was best tevreden met die koe. “Een goeie koe neemt weinig voor zichzelf”, zei hij. Het was in Vlaardingen.

Deze opmerking trof mij als buitengewoon ter zake kundig. Zoals veel ter zake kundige opmerkingen was ze laconiek en onthullend. En nogal wrang. Natuurlijk is de gulheid van een koe niet voor de boer, maar voor haar kalf bedoeld.

Dat een koe melk geeft is op zichzelf niet zo bijzonder. Van alle zoogdieren geven de vrouwtjes melk, allemaal verstaan ze de kunst om voedsel in voedsel te veranderen. Het bijzondere van koeien is het gebruik van gras als grondstof, en vooral de mate waarin.

Een koe weegt vijfhonderd kilo. Als het er alleen om ging een kalf groot te brengen had ze aan duizend liter melk genoeg. Maar dat kalf wordt van haar weggenomen. Het wordt een kalfje in haar hoofd. Op een of andere manier groeit het uit tot een obsederend melkverslindend monster. Het schrééuwt gewoon om melk, daar in haar hoofd, en zij gehoorzaamt maar. Zo levert nu een koe wel zevenduizend liter in een jaar, tien maal haar eigen lichaamsgewicht.

Zoals de marathon zich verhoudt tot het vermogen van mensen om hard te lopen, zo verhoudt de koe zich tot het vermogen van dieren om melk te geven. Met dit verschil, dat lang niet alle mensen de marathon lopen, maar bijna alle koeien wel.