De apocalypsen van Kaplan missen theorie en onderbouwing

De Amerikaanse journalist Robert D. Kaplan deed in 'Het Anarchistisch Pandemonium' in het Zaterdags Bijvoegsel van 14 mei een verontrustende voorspelling over de toekomst van de wereld. Kaplan heeft een meeslepende schrijfstijl, maar hij grabbelt links en rechts naar bewijsvoering voor zijn stellingen, aldus Tom Nierop.

Volgens Robert Kaplan vallen de veranderingen op de politieke wereldkaart sinds 1989 'in het niet' bij wat ons nog te wachten staat. Conflicten om water, land en ruimte, en gewelddadige botsingen tussen culturen zullen het aangezicht van de eenentwintigste eeuw bepalen. De toekomstige wereldkaart is volgens Kaplan “een eeuwig veranderende afbeelding van de chaos”.

Voor elke theorie, hoe wild ook, zijn bijpassende 'aanwijzingen' aan te dragen. Dat is meteen een van de grootste bezwaren tegen Kaplans verhaal. In wezen is zijn essay niet veel meer dan een kunstig aaneengeregen reeks feiten en invallen, zorgvuldig geselecteerd op maar één criterium: ze moeten passen in zijn vooraf geconstrueerde theorie over wereldwijd oprukkende chaos en anarchie. Selectief puttend uit de grote grabbelton van het wereldnieuws schrijft de auteur vrijuit zijn eigen 21ste eeuwse geschiedenis. Een werkelijke onderbouwing ontbreekt echter.

Kaplan schrijft over de wereld maar heeft het in feite over (West-)Afrika. Hij acht de situatie daar symptomatisch voor wat hele delen van de 'onderontwikkelde' wereld te wachten staat: misdaad, ziekten, oorlogen, gebrek aan natuurlijke hulpbronnen, vluchtelingenstromen en voortschrijdende aantasting van soevereine staten en internationale grenzen. Dat Afrika wordt afgeschilderd als het 'verloren continent' is niet nieuw. Het veralgemeniseren van die omstandigheden naar een groot deel van de rest van de wereld is dat wel.

Waarom neemt Kaplan West-Afrika als uitgangspunt voor zijn toekomstverwachtingen en niet, om maar eens iets te noemen, Zuidoost-Azië? Dat deel van de wereld ontwikkelde zich precies in tegengestelde richting: van permanente crisisregio tot een betrekkelijk stabiel gebied met forse economische groei. Dat maakt die regio net zo min geschikt om een wereldomvattende visie aan op te hangen als Kaplans Westafrikaanse observaties. Maar het laat wel zien dat er meer nodig is dan een handvol opportunistisch gekozen voorbeelden.

Naast Afrika noemt de auteur, vanzelfsprekend, vooral de situatie op de Balkan en in delen van de voormalige Sovjet-Unie als aanwijzing voor zijn voorspelling van grootschalige chaos, verkruimeling van staten en stammenstrijd. “De beestachtige strijd in cultureel zo verschillende gebieden als Liberia, Bosnië, de Kaukasus en Sri Lanka - om maar te zwijgen van wat er in de Amerikaanse binnensteden allemaal gebeurt (ook dat past in Kaplans 'grand design', TN) - wijst op iets zeer verontrustends”, schrijft Kaplan.

En daar wrikt zijn betoog opnieuw. Verontrustend zijn de door Kaplan geschetste taferelen zeker, al was het maar omdat ze tegenwoordig dagelijks in onze huiskamers doordringen. Maar werkelijk nieuw en van een andere orde dan vroegere conflicten zijn ze natuurlijk niet. Libanon, Biafra, India-Pakistan, Peru: (burger)oorlogen en slachtpartijen zijn helaas van alle tijden, evenals omstreden grenzen, naar autonomie strevende minderheden en wankelende staten. Hoe schokkend op zichzelf ook, in feite zijn de gebeurtenissen in de voormalige Sovjet-Unie en ex-Joegoslavië niets meer dan de bloedige symptomen van onvoltooide staatvorming; een tijdelijke inhaalrace na het 'oponthoud' van de allesoverheersende Oost-West tegenstellingen.

In een poging zijn wereldomvattende voorspellingen van een theoretisch fundament te voorzien omarmt Kaplan een aantal inzichten van anderen. Allereerst de theorie van de Canadees Thomas Fraser Homer-Dixon, die meent dat (burger)oorlogen in de nabij toekomst steeds vaker zullen voortkomen uit milieukwesties, zoals gebrek aan water, vis, bos, en bouwland. Daarnaast het idee van Harvard-hoogleraar Samuel P. Huntington, dat cultuur in plaats van economie of politiek de brandstof zal vormen voor internationale conflicten in de periode na de Koude Oorlog (“Als er ooit een volgende wereldoorlog komt, zal dat vrijwel zeker een oorlog zijn tussen beschavingen”). En tot slot de inzichten van krijgshistoricus Martin van Creveld, die in het boek 'Transformation of War' afrekent met het idee dat 'mensen niet graag zouden vechten' en een beeld schetst van de 'opnieuw primitief geworden mens'.

Kaplan noemt het 'verbluffend' hoe volkomen de ideeën van Van Creveld, Homer-Dixon en Huntington aansluiten bij elkaar en bij de inzichten die hijzelf opdeed tijdens zijn reizen “te voet, per bus en per bushtaxi door meer dan zestig landen”. Beperkte en zorgvuldig geselecteerde voorbeelden drijven de auteur tot grote conclusies. Zijn stelling dat de traditionele 'platte' kaart met helder omlijnde soevereine staten zijn langste tijd heeft gehad, illustreert hij met reiservaringen in Eritrea, Koerdistan en West-Afrika. De waarschijnlijkheid van toekomstige milieu-oorlogen, verstrengeld met etnische tegenstellingen, wordt onder meer ondersteund door te wijzen op de Hongaars-Slowaakse spanningen over een dam in de Donau. Dat de oude regels voor oorlogvoering niet meer opgaan 'bewijst' hij door te verwijzen naar de verwoesting van middeleeuwse monumenten in Dubrovnik: “Waar geen staten maar culturen slaags raken, worden culturele en religieuze monumenten tot oorlogstuig, en dus vogelvrij.”

Zoals eerder opgemerkt: de grote grabbelton bevat genoeg illustratiemateriaal om welke verbluffende stelling of welk onderling verband dan ook mee aan te kleden. Of uit te kleden. Zo laat Kaplan bijvoorbeeld de honderden verminkte kerken uit vroegere oorlogen voor het gemak buiten beschouwing.

Op de door Kaplan omarmde inzichten valt bovendien af te dingen. Dat milieukwesties zullen leiden tot conflicten is denkbaar. Dat ze zullen uitmonden in een wereldwijde orgie van geweld en ellende is echter onwaarschijnlijk. Uitgerekend kwesties als waterbeheersing lenen zich voor gecoördineerd internationaal optreden. Zonder onmiddellijk te vervallen in ongebreideld optimisme: de kans dat op het terrein van milieubehoud, puur uit noodzaak en nationaal eigenbelang, uiteindelijk effectieve vormen van functionele internationale samenwerking van de grond komen is verre van denkbeeldig.

De gedachte dat cultuur als aanleiding voor lokaal gewapend conflict een prominenter rol zal spelen dan voorheen is plausibel. De dempende deken van de Oost-West-tegenstelling is immers weggetrokken. Dat lokale culturele conflicten zullen uitgroeien tot oorlogen tussen hele beschavingen is echter onwaarschijnlijk. Voor de vorming van grootschalige allianties langs culturele lijnen, door landen die bereid zijn middelen, wapens en mensen in te zetten in een conflict dat henzelf niet direct raakt, ontbreekt namelijk een essentiële voorwaarde: de hegemoniale machten die dat zouden kunnen organiseren of afdwingen.

Kaplan voelt dat kennelijk wel aan en suggereert daarom dat Turkije die rol in de islamitische wereld zou kunnen gaan vervullen. Hij baseert dat, naast de relatief grote Turkse waterrijkdom, onder meer op het bestaan van een 'betrekkelijk gezonde, misdaadvrije' krottenwijk rondom Ankara. “Sloppenwijken zijn de lakmoesproef voor de innerlijke kracht en zwakte van een beschaving”, orakelt de auteur. Een “zo sterke cultuur” heeft het volgens hem in zich om “opnieuw de hegemonie in het Midden-Oosten te verwerven”. In feite is de kans dat het niet-Arabische Turkije ooit de leidersrol zal vervullen binnen een grootschalig Arabisch-islamitisch kamp vrijwel uitgesloten (over cultuur gesproken). Dit nog afgezien van het feit dat de Turkse belangen en relaties (economisch, politiek, militair) sterk zijn verweven met de westerse wereld, in het bijzonder Europa.

Overdadig geïllustreerde stukken als die van Kaplan zijn meeslepend. Zo meeslepend, dat wie niet kritisch leest het gevaar loopt in de stroom 'bewijzen' te worden meegesleurd. Natuurlijk is de wereld er sinds het einde van de Koude Oorlog niet overzichtelijker op geworden. Smeulende regionale conflicten krijgen de kans om (tijdelijk) te ontvlammen en zwakke regimes worden niet langer uit strategische motieven in het zadel gehouden. Maar dat is geen reden om die conflicten te interpreteren als de eerste symptomen van een wereldwijd oprukkend 'crisisvirus' en het massaal afsterven van 'de' traditonele staat. Die apocalyptische visie lijkt vooral voort te komen uit de behoefte aan een nieuw algemeen toepasbaar interpretatiekader, na het verdwijnen van de zo handig overzichtelijke strijd tussen de supermachten. Wellicht is het jammer voor auteurs als Kaplan, maar voor het huidige tijdsgewricht bestaat zo'n universeel model waarschijnlijk helemaal niet.