Aandoenlijke bloemkolen en wulpse tulpen in Rijksmuseum

Tentoonstelling: Bloemen en planten. Tekeningen, prenten en foto's uit de eigen collectie. Rijksmuseum, Stadhouderskade 42, Amsterdam. T/m 31 juli. Di t/m za 10-17u, za 13-17u. Catalogus ƒ 18,50.

Een soldaat in het leger van de kunst, een waterdrager, werkbij, een miezerige gezel. Zo omschreef de zeventiende-eeuwse kunsthistoricus Samuel van Hoogstraten de schilders van duizend-schoon, vergeet-me-nietjes, irissen en stokrozen. Zij verlaagden zich volgens hem tot het laagste wat de schone kunsten te bieden hadden. Hun doel moest verder reiken: het vervaardigen van portretten bijvoorbeeld, of liever nog, historiestukken.

Bloemstillevens staan allang niet meer in een slechte reuk. Het genre werd, ondanks Hoogstratens kritiek, zo populair in de Gouden Eeuw dat er grif geld voor werd betaald. 'Fluwelen' Jan Brueghel de Oude kreeg een bloemschildering in diamanten en saffieren uitbetaald en ook Daniël Seghers (1590-1661) kon zich een vermogend man noemen. Van Willem II ontving hij als beloning voor een bloemstilleven een gouden palet en gouden penselen; Amalia van Solms voegde daar in 1652 een gouden schilderstok aan toe.

Peter Schatborn, hoofd van het Rijksprentenkabinet van het Rijksmuseum, speelt met de zomertentoonstelling in het Prentenkabinet in op de bloemenmanie die de Nederlandse toeristenindustrie dit jaar in haar greep houdt. Middelpunt van de manie vormt de tulp, die vier eeuwen geleden vanuit Turkije Nederland werd ingevoerd, een feit dat met tentoonstellingen, lezingen, toeristische bloemenroutes en vooral veel commerciële gadgets wordt herdacht.

Schatborn koos uit de verzameling van het museum zo'n zeventig prenten, tekeningen en foto's van bloemen en planten, van de laat vijfiende tot en met het begin van de twintigste eeuw. Hij beperkte zich niet tot stillevens en botanische bladen alleen, maar nam ook voorstellingen waarop flora een ondergeschikte rol speelt: als omlijsting van een middeleeuws getijdenboek bijvoorbeeld, als patroon in behangpapier, borduurmotief of als randversiering bij een allegorie.

Resultaat is een hybride mengsel van stijlen en genres. Een op Van Gogh geïnspireerde, zwaar symbolistische zonnebloem van Richard Roland-Holst tegenover de overdadige, maar o zo fijn geschilderde bloemenvazen van de Hoornse pasteibakker Herman Henstenburgh (1667-1726). Een statige lidcactus van Herman Saftleven (1609-1685) naast drie steltlopers van irissen op een kleurenhoutsnede van de Japanner Utagawa Hiroshige (1797-1858). Het is tamelijk onzinnig om op zoek te gaan naar ontwikkelingen of rode draden die door eeuwen in verschillende landen. Wie de catalogus koopt, begrijpt dat de tentoonstelling daar ook niet voor bedoeld is. Het boekje is niet meer dan een fraaie bundeling ansichtkaarten, het tekstgedeelte van Schatborn is beperkt tot een negen-regelig inleidinkje en dankwoord.

Curiositeit, humor en - niet in de laatste plaats - schoonheid: daar heeft Schatborn de geëxposeerde stukken op geselecteerd. Zelden is er zo'n aandoenlijke bloemkool op een tentoonstelling te zien geweest. De anonieme, zeventiende-eeuwse tekenaar heeft de wollige knoopjes kool - uit de tijd van ver voor de plantenveredeling - verstopt in een zee van lange, grillige bladeren, alsof hij eigenlijk een woud wilde weergeven waar net een storm doorheen is geraasd.

Tulpen ontbreken uiteraard niet in het Prentenkabinet. Er zijn er van de zeventiende-eeuwse bloemschilder Maria Sybilla Merian en van Jacob Marrel. Een zeer zeldzaam, volledig intact Tulpenboek van Marrel behoort tot de hoogtepunten op de tentoonstelling. De tientallen gespikkelde, gevlamde en gestreepte tulpen in de 87 bladen omvattende catalogus zijn tussen 1637 en 1645 geschilderd. Marrels tulpen zijn eigenzinnige, springlevende wezens. Ze pronken met hun kleuren, laten wulps hun bloembladeren bollen, tonen ongegeneerd hun meeldraden en stampers, en voeren een symbiotisch onderhoud met sprinkhanen, vlinders en libellen.

In vergelijking hiermee zijn de aan Merian toegeschreven tulpen stramme huzaren, die poseren alsof de kunstenaar een staatsieportret van ze wilde maken. Een myrthe-takje en twee schelpen fungeren als decorstukken. En zelfs dat ene blad, dat naar rechts klapt, mag dan speels bedoeld zijn, meer dan een poging tot koketterie is het niet.