Zang & Dans

Zaterdag, in Arnhem, ging het over kunst in de openbare ruimte.

Ik heb het over zingende vogels gehad, over de functie van kleur bij koolmezen en stekelbaarsjes, over de dans van rivaliserende addermannetjes. Ik heb ook gewezen op de aromatische en beeldende kwaliteiten van een markant gedeponeerde marterkeutel, en het monumentale werk van een specht in hout. “Wij spechten veranderen dode bomen in totempalen.”

Zulke signalen spelen voor dieren een rol in het verdelen en inrichten van de openbare ruimte, het bezetten van territoria. Het begint allemaal met de behoefte aan seks en eten, maar op den duur verwerven die signalen iets autonooms, een symbolische, je zou haast zeggen rituele betekenis.

Zang, kleur, dans, geur en vorm. Alleen al terwille van de volmaaktheid zou het fantastisch zijn als dieren zich ook op het terrein van de letteren begaven. Dat is dus niet het geval. Maar daar staat tegenover dat de letteren zich volop op het terrein van het dier begeven. Eén voorbeeld: een mannenportret van Margaret Atwood: “Hij houdt ervan zijn eigen charme weerspiegeld te zien in de ogen van elke vrouw in de kamer; hij gaat van de een naar de ander alsof zij boompjes zijn en hij is een hond.”

Wat ik wou zeggen - er is al een heleboel kunst in de openbare ruimte. Er is althans een heleboel dat als kunst kan worden opgevat. En dat is kunst nietwaar?