Z-Afrika zoekt naar plaats in wereldorde

JOHANNESBURG, 13 JUNI. Het democratische Zuid-Afrika hoort nu bij de wereld en daarmee rijst de akelig complexe vraag wat het er precies te zoeken heeft. In een maand tijd trad de nieuwe regering toe tot het Gemenebest en de Beweging van Niet-gebonden Landen, sloot zij de Frontlijnstaten in de regio Zuidelijk Afrika in de armen en knoopte zij nieuwe diplomatieke betrekkingen aan met 28 landen. Vandaag neemt Nelson Mandela als staatshoofd Zuid-Afrika's plaats in bij de jaarvergadering van Organisatie van Afrikaanse Eenheid (OAE) in Tunis. Later deze maand bereikt de rehabilitatie van de internationale paria een hoogtepunt wanneer het land met gepaste fanfare wordt binnengehaald bij de Verenigde Naties.

Op de golven van welwillendheid na de 'onderhandelde revolutie', die leidde tot een vreedzame overdracht van de macht aan een zwarte meerderheidsregering, gaan alle deuren open. De wereld kan wel een succesverhaal gebruiken. Nu de euforie wegebt komt in Zuid-Afrika het debat op gang wat het buitenlands beleid na de apartheid inhoudt. “We zijn net een kind in een speelgoedwinkel”, zegt Sara Pienaar, directeur van het Zuidafrikaanse instituut voor buitenlandse zaken. “We worden eindelijk binnengelaten en we helpen onszelf gretig. Maar we kiezen niet, want we hebben het allemaal nog niet zo goed doordacht.”

In de kantoren van academische denktanks en in conferentiezalen komen de lastige vragen over Zuid-Afrika's plaats in de nieuwe wereldorde naar boven. Moet het land zich positioneren als de grote leider van het gemarginaliseerde continent Afrika of loopt het dan het risico niet meer te zijn dan een kapitein in een mooi nieuw uniform op een lek schip? Moet het zich concentreren op de regio, op het hele continent, of op het rijke Noorden waar de investeringen vandaan moeten komen? Moet Zuid-Afrika als iedereens vriend de wereldkaart volsmeren met nieuwe ambassades? Is het harmoniemodel via onderhandelingen exportwaardig?

Het besef begint hier door te dringen dat Zuid-Afrika na de verkiezingen is veroordeeld tot de status van 'gewoon' land. Dat is een psychologische omwenteling, want Zuidafrikanen zien zichzelf gewoonlijk als centrum van de wereld. Apartheid maakte Zuid-Afrika apart. De morele verontwaardiging over het systeem van wettelijk geregeld racisme verzekerde het land dertig jaar lang van de aandacht van de wereld, die niet in overeenstemming was met zijn omvang of strategische betekenis.

Zonder apartheid valt Zuid-Afrika economisch in de categorie van landen als Mexico, Maleisië, Portugal, Chili en Brazilië. Net als die landen zal Zuid-Afrika in het buitenlands beleid keuzes moeten maken die het nationale belang dienen. Oude loyaliteiten kunnen daarmee botsen. Banden met oude ANC-bondgenoten als Cuba en Libië vloeien voort uit revolutionaire nostalgie van de zwarte bevrijdingsbewegingen, maar zullen Zuid-Afrika niet vooruit helpen. “Wij hebben Castro niets te bieden. En we hebben zelf meer dan genoeg suiker”, aldus Pienaar.

Het buitenlandse beleid onder de opeenvolgende Nationale Partij-regeringen sinds 1948 was een permanente egelstelling. Pretoria moest zich verweren tegen een steeds vijandiger wereld, probeerde de ratio achter het apartheidssysteem vergeefs uit te leggen, en raakte steeds meer geïsoleerd. Hoezeer minister Roelof 'Pik' Botha van buitenlandse zaken ook probeerde zijn land als een bondgenoot van het Westen tegen het oprukkend communisme in Afrika te presenteren, het binnenlandse beleid van onderdrukking doorkruiste telkens de diplomatie. Het Zuidafrikaanse bewind moest het doen met een handvol bondgenoten (Israel, Taiwan, Malawi) en wat sympathie-op-afstand van conservatieve Westerse regeringsleiders. Het buitenlandse beleid bleef een voortdurend gevecht van een verongelijkt, belegerd land tegen de rest van de wereld.

Het ontluikende debat over het buitenlands beleid na de apartheid kent twee scholen. Volgens de eerste is Zuid-Afrika vooral een Afrikaans land dat als regionale supermacht (het Bruto Nationaal Produkt van Zuid-Afrika bedraagt zestig procent van dat van alle 45 landen bezuiden de Sahara) een leidende rol op zich moet nemen om de marginalisering van het continent tegen te gaan. President Mandela lijkt het daarmee eens te zijn, getuige zijn uitspraak vorige week dat hij het “Afro-pessimisme” in de wereld wil bestrijden.

Als Zuid-Afrika zelf al zou twijfelen om zich als leidend land in Afrika op te werpen, zullen grotere machten de regering daar wel toe dwingen. De Amerikaanse vice-president Al Gore drong na de inauguratie-ceremonie in Pretoria vorige maand bij president Mandela aan op militaire betrokkenheid van Zuid-Afrika bij regionale conflicten als die in Rwanda. Tot nu toe wil de regering niet verder gaan dan het zenden van humanitaire hulp naar Rwanda. De generaals in Pretoria vinden het te vroeg voor buitenlandse taken. Ze willen eerst de moeizame operatie van de integratie van alle gewapende formaties in het nieuwe Zuidafrikaanse leger afronden.

De tweede school is van mening dat te grote aandacht voor het continent niet parallel loopt met Zuid-Afrika's economische belangen. De belangrijke afnemers van Zuid-Afrika's mineralen en produkten bevinden zich niet in Afrika, maar in Europa (Duitsland, Engeland, Frankrijk, Italië), de Verenigde Staten en Azië. “Onze handelsrelaties met de VS en Europa moeten tegen elke prijs worden gekoesterd. We moeten vechten voor nieuwe investeerders en markten, waar we ze maar kunnen vinden. De romantische lobby in het ANC die zou willen dat Afrika het brandpunt wordt van ons buitenlands beleid moet op elegante wijze worden neergeslagen”, schreef het economische weekblad Financial Mail onlangs.

De nieuwe regering lijkt van alles wat te willen. De minister van buitenlandse zaken Alfred Nzo, die tot nu toe vooral bekend stond als een onbeduidende ANC-apparatsjik, vliegt heel Afrika door om de banden aan te halen. De minister van handel en industrie, Trevor Manuel, vloog eerst naar de Verenigde Staten om mogelijke investeerders toe te spreken. Tijdens een congres van het World Economic Forum in Kaapstad legde president Mandela vorige week sterk de nadruk op regionale economische samenwerking. Zuid-Afrika beseft dat stabiliteit in de regio een voorwaarde is voor economisch succes in eigen land. De immigratie vanuit landen als Zimbabwe, Mozambique en Zaïre - nu al een groot probleem - kan in de miljoenen gaan lopen als Zuid-Afrika zich op eigen houtje ontwikkelt. Het is mogelijk dat Mandela de komende maanden diplomatiek betrokken raakt bij het zoeken naar vrede in Angola en het handhaven van vrede na de verkiezingen in Mozambique in oktober. Hij heeft de status om uit te groeien tot Afrika's voornaamste staatsman.

Maar Zuid-Afrika voelt zich te groot voor een rol in de regio alleen. Er wordt hevig gespeculeerd over de mogelijkheid van een permanente zetel voor Zuid-Afrika in de Veiligheidsraad in de VN, wanneer Afrika daarin een plaats toegewezen zou krijgen. In ANC-gezinde kringen overheerst de trots over hoe in eigen land de problemen op vreedzame wijze zijn overwonnen en ziet men kansen om die ervaring in andere brandhaarden in te zetten. Sommigen geloven in een idealistische benadering van de buitenlandse politiek: Zuid-Afrika zou als overwinnaar van het racisme een moreel gidsland in de wereld kunnen worden, en is met zijn combinatie van Eerste en Derde Wereld in eigen land de meest geschikte bruggebouwer tussen Noord en Zuid in de wereld. Sara Pienaar noemt dat the transition burden, de last van de geslaagde overgang. “De verwachtingen zijn te hoog gespannen - alsof wij de bovenmenselijke capaciteit zouden hebben om problemen op te lossen. Zuid-Afrika heeft het tovermiddel niet. Eerlijk gezegd begrijpen we zelf nog niet waarom het hier is gelukt.”