Riccardo Chailly dirigeert Asko Ensemble tijdens concerten in Amsterdam en Milaan; 'Varèse keek naar de toekomst èn het verleden'

Asko Ensemble en Jean Yves Thibaudet o.l.v. Riccardo Chailly: 14/6 20.15 uur Concertgebouw Amsterdam. Na afloop ontmoeting met musici en componisten.

Voor het eerst dirigeert Riccardo Chailly in ons land een ander orkest dan het Koninklijk Concertgebouworkest, waarvan hij sinds september 1988 de chef-dirigent is. Morgenavond leidt Chailly in een Holland Festival-concert het Asko Ensemble, dat werk speelt van Varèse, Nono, Stravinsky, Francescconi en Rihm: de wereldpremière van het voor het Asko Ensemble geschreven Formen/Zwei Formen. Er werd vorige week gerepeteerd in het Ketelhuis op het terrein van de voormalige Westergasfabriek in Amsterdam. Maar tijdens het Amsterdamse concert is Chailly in een vertrouwde omgeving: dat gaat in de Grote Zaal van het Concertgebouw.

“Edgard Varèse was zijn tijd een eeuw vooruit. Dat hoor je bijvoorbeeld in Déserts voor ensemble en tape. Het stuk is meer dan veertig jaar oud, maar het klinkt alsof het gisteren werd gecomponeerd. Varèse gebruikte geluiden uit het dagelijks leven die hij met een bandrecorder vastlegde en elektronisch bewerkte, de zogenaamde Interpolations of Organized Sound. Die wisselde hij af met instrumentale passages. Nu klinkt dat heel gewoon, maar destijds verklaarden de mensen hem voor gek.”

Voor Riccardo Chailly is Varèse een sleutelfiguur in de tweede helft van de twintigste eeuw. “De avant-garde van jaren vijftig en zestig - Boulez, Stockhausen, Nono en Berio - is zonder de muziek van Varèse niet voor te stellen. Maar ook jongere componisten als Wolfgang Rihm en Luca Francesconi verwijzen naar zijn erfenis.”

Het werk van Varèse vormt de rode draad tijdens een concert van het Asko Ensemble, dat morgenavond in het Concertgebouw zal worden geleid door de chefdirigent van het Koninklijk Concertgebouworkest. De uitvoering van het circa 25 minuten durende Déserts belooft een hoogtepunt te worden.

Kenmerkend voor Edgard Varèse is zijn verlangen naar een toekomst waarin de muziek zich kan bedienen van nog ongehoorde klanken en ritmes. Omdat menselijke spelers nu eenmaal hun beperkingen hebben, vestigde de componist zijn hoop op machines. De bandrecorder, die na de Tweede Wereldoorlog binnen het bereik van gewone burgers kwam, en de elektronische studio stelden hem ten dele in staat zijn idealen te verwezenlijken.

Voor Chailly geldt Déserts als het draaipunt in Varèses oeuvre. “Na Déserts schreef hij niet meer voor symfonieorkest, alleen nog elektronische muziek. De mogelijkheden van een gewoon orkest waren voor hem uitgeput. Het minst interessant vond hij de strijkers. Met hun vibrato en milde toon vormden ze een te romantische klankbron, niet krachtig en ritmisch precies genoeg. In Déserts komen de meest gedurfde sprongen voor in de toonomvang van instrumenten die ooit geschreven zijn, sommige zijn haast onspeelbaar. Maar je hoort ook vleugjes romantiek, fragmenten in de hoorns of de trombones die een treurig gevoel van afscheid oproepen. De muziek van Varèse gaat, denk ik, over het verlangen naar de toekomst èn over de nostalgie over het verleden.”

In de werkkamer van zijn Amsterdamse grachtenhuis legt Chailly gedreven uit wat de samenhang is tussen de werken van Varèse, Stravinsky, Nono, Rihm en Francesconi die morgenavond aan de orde zullen komen. “Het begint bij Stravinsky's Concertino voor twaalf instrumenten uit 1952. Stravinsky lijkt in dit verband een buitenstaander, maar Varèse is sterk door hem beïnvloed en omgekeerd vond Stravinsky Déserts een van de beste composities die hij kende. Van Nono spelen we Polifonica-Monodia-Ritmica uit 1951. Veel in de muziek van Nono is op Varèse terug te voeren, niet alleen het gebruik van elektronica, maar ook zijn streven naar een melodie die niet wordt gevormd door toonhoogtes, maar door timbres of ritmes. De stuk van Francesconi heeft weliswaar verschillende wortels, maar sluit in de behandeling van het slagwerk aan bij Varèse.”

Wolfgang Rihm schreef zijn Formen/Zwei Formen speciaal voor het Asko Ensemble. De bezetting van dit korte stuk, een eerbetoon aan Varèse, komt vrijwel overeen met die van Déserts. Chailly: “Net als Rihms andere muziek is dit stuk denso, bijzonder rijk aan ideeën. Het slagwerk en de blazers hebben allemaal eigen lijnen. Op mijn verzoek componeerde Wolfgang een tweede coda bij zijn compositie. Ik vroeg hem iets uitzinnigs te bedenken en dat heeft hij gedaan. Wat? Dat blijft een verrassing.”

Behalve in Amsterdam zullen Chailly en het Asko Ensemble het programma de komende week spelen in de Scala van Milaan tijdens een Varèse Festival. Over de samenwerking met het ensemble is Chailly erg enthousiast. Hij wilde een uitzondering maken op de regel dat hij in Nederland alleen het Concertgebouworkest dirigeert omdat hij het Asko Ensemble zeer bewondert. “We hebben nu drie dagen gerepeteerd en de sfeer is uitstekend. Er is veel begrip over en weer. Het wederzijdse vertrouwen is tijdens de repetities gegroeid. Ik heb tegen de musici gezegd dat het moet klinken alsof we het leuk vinden om de muziek te spelen. Zodra we het gevoel hebben dat we aan het tellen zijn, werkt het niet meer. Dan is de swing weg.”

Voor Riccardo Chailly verschilt het Varèse-programma niet van een concert met louter hoekstenen uit het klassieke repertoire. “Ik geloof in het programma omdat ik geloof in de muziek. Alle stukken die we spelen zijn bewezen meesterwerken. Het zijn geen experimenten. Wat mij betreft wordt het geen intellectuele avond. Als het publiek luistert met een open geest en onbevangen oren, gaat er beslist een nieuwe wereld open.”