PROFESSOR JAN TINBERGEN 1903-1994; Leven in dienst van rechtvaardigheid

DEN HAAG, 13 JUNI. Als student was Jan Tinbergen dol op wiskunde, maar hij ontdekte dat hij de mensheid beter kon dienen als econoom. En dus werd het, na een studie wis- en natuurkunde in Leiden, economie en een leven in dienst van economische rechtvaardigheid. Nationaal en wereldwijd.

Het vooruitgangsdenken van Tinbergen was onverwoestbaar. Hij geloofde in planning, in rationele oplossingen, in de sturende rol van de overheid om de wereld beter te maken. Tinbergen, die zich na de textielstaking van 1923 als student aanmeldde bij de Sociaal-democratische arbeiderspartij, de voorloper van de PvdA, was een plan-socialist in hart en nieren. Hij was onder de indruk van de eerste economische plannen in de jonge Sovjet-Unie, van de verwoestende gevolgen die de depressie van de jaren dertig in de kapitalistische landen had en van de New Deal, het economisch activisme van de Amerikaanse president Roosevelt.

Een ascetisch leven leidde Tinbergen, die vorige week op 91-jarige leeftijd overleed en vanmorgen in stilte is begraven. Een 'econoom van wereldformaat' en 'het geweten van de Nederlandse economie' werd hij genoemd. Anderen plaatsten een kanttekening bij wat zijn 'politieke naïviteit' en moralisme werd genoemd. Midden in de problemen van de wereld was hij toch een beetje wereldvreemd.

Tinbergens huis in de Haagse Vogelwijk was een stilleven uit de jaren vijftig: donker en sober. Een vierkante eettafel, een eenvoudig dressoir en een zithoek. Dagelijks stond hij om half zeven op (in het weekeinde om half acht), om te schrijven en te werken aan steeds nieuwe projecten. Zijn laatste bezigheid was een campagne tegen kinderarbeid, georganiseerd door de Foundation of International Cooperation, een gezelschap van Nobelprijswinnaars waarvan Tinbergen voorzitter was. Een 'kerstboodschap' (december 1993) van Tinbergen en 80 Nobelprijswinnaars over het lot van miljoenen kinderen die gedwongen zijn te werken, resulteerde in een kaartenactie en in de oprichting van ChildRight Worldwide, een beweging die de arbeidsomstandigheden van kinderen in de Derde wereld ter harte neemt.

Langs wiskundige weg kwam Tinbergen in de jaren dertig tot een conjunctuurtheorie ter oplossing van de economische crisis. In Groot-Brittannië was John Maynard Keynes tot vergelijkbare theoretische inzichten gekomen, maar de twee lagen elkaar niet. Keynes, de literaire econoom, wantrouwde de statistische formules waarmee Tinbergen werkte en die de grondslag vormden voor de econometrie, de wiskundige benadering van economische vraagstukken.

In Nederland raakte Tinbergen betrokken bij de opstelling van het Plan voor de Arbeid (1935) en, in 1945, bij de oprichting van het Centraal Planbureau. Hij was tot 1955 de eerste directeur van het CPB. Daarna werd hij hoogleraar econometrie aan de Nederlandse Economische Hogeschool (tegenwoordig Erasmus-universiteit) in Rotterdam. Sinds 1927 verschenen ruim negenhonderd publicaties van zijn hand. Tinbergen was jarenlang de meest geciteerde Nederlandse econoom in internationale economische tijdschriften. In 1969 ontving hij de eerste Nobelprijs voor economie voor zijn pionierswerk op het gebied van de econometrie.

“Onze wereld is, niet slechts in economisch opzicht, labiel geworden”, zei Tinbergen in 1954 bij de aanvaarding van het eredocotoraat aan de Universiteit van Amsterdam. “De sociale wetenschappen trachten aan te geven hoe weer grotere stabiliteit kan worden bereikt. Grotere stabiliteit in de conjunctuur, dat wil zeggen minder diepe depressies; grotere stabiliteit in de verhouding tussen de mensen binnen een land door opruiming van kunstmatige sociale barrières; grotere stabiliteit in de verhoudingen tussen landen door integratie en door ontwikkeling van de achtergeblevenen.” Het was Tinbergen ten voeten uit.

In de jaren zestig kreeg hij opdracht van de Verenigde Naties een norm voor hulp aan ontwikkelingslanden uit te werken. Het resulteerde in de befaamde norm van anderhalf procent van het bruto nationaal produkt, die Nederland omarmde. Eén van Tinbergens meest toegewijde leerlingen in Rotterdam was drs. Jan Pronk. Begeesterd door de gedachte dat economie een instrument is om te komen tot een zo eerlijk mogelijke verdeling van welvaart, spreidde Tinbergen zijn activiteiten steeds verder uit. Een actieve geboortepolitiek ter vermindering van de bevolkingsdruk, nadruk op scholing voor maatschappelijke vooruitgang, een heffing op talent om de voorsprong die iemand heeft wegens aangeboren eigenschappen 'weg te belasten'.

Naarmate Tinbergen ouder werd, leek hij ook radicaler te worden. Onvermoeibaar - en zonder oog voor nevenverschijnselen zoals kapitaalvlucht, hulpafhankelijkheid of de scheve welvaartsverhoudingen in Derde wereldlanden zelf - rekende hij uit met welke bedragen de overdracht van middelen van rijke naar arme landen moest toenemen. Hij bepleitte verzesvoudiging van de ontwikkelingshulp en de overplaatsing van arbeidsintensieve industrietakken, zoals confectie en scheepsbouw, naar ontwikkelingslanden. Tinbergen formuleerde de 'convergentie-theorie', waarin hij uiteen zette dat de socialistische en kapitalistische economieën steeds meer naar elkaar toe zouden groeien. De economische verspilling door de wapenindustrie, de wereldwijde bedreiging van het milieu, de overontwikkeling van de industrielanden en de noodzaak van economische krimp in de rijke landen, de bedreiging van de internationale veiligheid door armoede en ongelijkheid: Tinbergen bleef actief tot zijn plotselinge dood, vorige week, een einde aan een lang en arbeidzaam leven maakte.