Pers-ethiek staat onder druk van de commercie

In reactie op de zelfdoding van premier Bérégovoy en de zaak van de met aids besmette hemofiliepatiënten woedt In Frankrijk een discussie over journalistiek ethiek.

De strijd om de lezersgunst en de persconcentraties maken ook in Nederland een debat over de journalistiek actueel, meent Piet Hagen.

'Ik zeg dit niet om de journalistiek in een kwaad daglicht te stellen. Sommigen van mijn beste vrienden zijn journalist. Ik wil er alleen op wijzen dat de journalistiek in een crisis verkeert, dat de ethiek van het beroep ter discussie staat'. In een lezing over journalistieke ethiek op de Ecole Supérieure de Journalisme van Lille sneed de vooraanstaande Franse socioloog Bourdieu onlangs enkele onderwerpen aan die ook in Nederland actueel zijn.

Zo kritiseerde premier Lubbers de parlementaire pers wegens haar toenemende oppervlakkigheid en haar neiging te willen scoren waar eigenlijk geen nieuws was. En Brinkman verweet de pers unfair spel in de kwestie van zijn omstreden commissariaat. Op de achtergrond staat steeds de vraag naar de legitimering van het optreden van de journalist.

Volgens Bourdieu zijn er ten minste twee factoren waardoor de journalistiek aan het veranderen is. De eerste is de toenemende verwevenheid met commerciële belangen. Op zichzelf is dat niet nieuw, want journalistiek en commercie gaan altijd al samen. Maar de vorming van supergrote, vaak internationale concerns, die behalve kranten en tijdschriften ook commerciële radio- en televisiestations, video- en filmbedrijven, en zelfs belangen buiten de informatiebranche omvatten, is toch een betrekkelijk nieuw verschijnsel met vèrstrekkende gevolgen. De liberale courantier die zijn redactie vrij liet, heeft plaatsgemaakt voor de concernleiding die de winstcijfers angstvallig in de gaten houdt. Oplagecijfers en advertentievolume regeren het beleid van de uitgever.

Een tweede factor die de positie van de pers heeft beïnvloed, is de opkomst van de televisie. Vooral de doorbraak van de commerciële televisie heeft ertoe geleid dat journalisten meer rekening moeten houden met de gunst van kijkers en lezers. Op de tv moet alles in drie minuten samengevat worden, zegt Bourdieu. “Er moeten dramatische beelden zijn. Het verhaal mag niet te gecompliceerd zijn. Het moet de kijker direct aanspreken. Het beeld moet de suggestie van het onmiddellijk gebeurde bevatten. Ook serieuze kranten kunnen niet om de door de televisie geschapen werkelijkheid heen.”

Bourdieu heeft veel onderzoek gedaan naar de regels die in bepaalde beroepen gelden. Beroemd is zijn boek over de universitaire gemeenschap, in 1984 verschenen onder de titel Homo Academicus. Sinds enige tijd gaat zijn aandacht uit naar de journalistiek. In een recent nummer van het tijdschrift Actes de la recherche en sciences sociales analyseren Bourdieu en zijn medewerkers de veranderende beroepsopvattingen binnen de journalistiek. Hun conclusie is is dat de logica van de commercie via de media verder oprukt in het openbare leven.

Twee recente gebeurtenissen geven de vraagstelling van Bourdieu een extra dimensie: het zogenaamde bloedschandaal dat de Franse media jaren achtereen beheerste, en de zelfdoding van oud-premier Bérégovoy. In beide gevallen is achteraf de journalistieke aanpak ter discussie gesteld. Wie geeft journalisten het recht om de publieke opinie te manipuleren? Is er eigenlijk nog wel sprake van een gemeenschappelijke ethiek? Of doet iedere individuele journalist wat goed is in zijn ogen?

Bij het bloedschandaal heeft de Franse pers, van links tot rechts, de autoriteiten jarenlang achtervolgd met onthullingen over met bloed dat met het AIDS-virus was besmet. In een campagne die herinnering opriep aan de Dreyfuss-affaire, werd iedereen in staat van beschuldiging gesteld: de bloedtransfusiediensten, de gezondheidsautoriteiten, de regering, het socialisme en uiteindelijk de staat zelf. Ten slotte zijn vier hooggeplaatste functionarissen veroordeeld. De directeur van de nationale bloedtransfusiedienst zit nu een gevangenisstraf van vier jaar uit.

In het genoemde nummer van Actes gaat Patrick Champagne na welke mechanismen de doorslag hebben gegeven in de journalistieke behandeling. Hij signaleert enkele verschuivingen binnen de journalistiek. Niet de gevestigde medische redacteuren, maar de meer op nieuws gerichte verslaggevers behandelden deze affaire. Daarbij troefden kranten en tijdschriften elkaar regelmatig af met nieuwe primeurs. De televisie, die vroeger pas iets meldde als Le Monde erover had geschreven, was nu een zelfstandige factor die de kranten dwong haar adembenemende tempo te volgen. Daarbij sloten journalisten een hecht bondgenootschap met de patiënten die het slachtoffer waren van de besmetting van het bloed. Hun directe klacht (“de staat heeft mij vergiftigd”) had veel meer gewicht dan welke wetenschappelijke of juridische nuancering ook. Ten slotte werd de publieke opinie via enquêtes gemobiliseerd. Daarmee was de openbare veroordeling van de verdachten een feit voordat een rechter iets kon zeggen.

In de geest van Bourdieu concludeert Champagne, dat de veranderingen in de journalistieke ethiek ook van invloed zijn op andere 'velden' van het maatschappelijk leven. In dit geval stond de rechterlijke macht onder directe invloed van het dagelijks tv-journaal en de nieuwe onthullingen in de krant van de volgende dag. Ook de politiek kon weinig anders dan de wetten van deze instant-realiteit gehoorzamen. Een andere werkelijkheid dan de media-werkelijkheid heeft nauwelijks recht van bestaan. Ten slotte werd ook het wetenschappelijke debat door het mediageweld in de kiem gesmoord. Wie durfde beweren dat tien jaar geleden niet alle wetenschappelijke gegevens over bloedtransfusie en AIDS even duidelijk waren, leek een ketter die het geloof van de meerderheid (“zie onze enquête op pagina 1 van deze krant...”) ondergroef.

Een tweede gebeurtenis die twijfel opriep aan de journalistieke moraal, was de zelfdoding van de socialistische oud-premier Bérégovoy op 1 mei 1993. Op de begrafenis stelde president Mitterrand de journalistiek in staat van beschuldiging met zijn opmerking: “On a livré son honneur aux chiens.” Hij doelde daarmee op de berichten over de renteloze lening die Bérégovoy had ontvangen van een industriële weldoener die daar politiek belang bij had. Zo had men de overigens onkreukbare politicus de dood in gedreven.

De journalist die zich dat het meest heeft aangetrokken, is Jean-François Lacan, tot 1991 werkzaam bij Le Monde. Daar had hij de affaire-Pechiney behandeld, een mooi voorbeeld van onderzoeksjournalistiek. Maar toch bleef Lacan zitten met de vraag met welk recht hij als journalist was opgetreden als groot-inquisiteur. In dit geval was de hoofdpersoon, Patrice Pelat, overleden aan een hartverlamming. Lacan had de 'verdachte' nooit zelf te spreken kunnen krijgen en toch had hij - in zekere zin - zijn dood op zijn geweten. Zijn collega's bij Le Monde hadden hem dit achteraf verweten. In het samen met anderen geschreven boek Les Journalistes (Syros, Parijs, 1994) doet hij verslag van zijn worsteling onder de titel Journal d'un chien.

De voornaamste conclusie van Lacan is dat de journalistiek niet goed weet wat haar professionele normen zijn. Zonder afstand te nemen van zijn eigen speurwerk, spreekt hij in navolging van Bourdieu van een souffrance de position. Journalisten 'lijden' aan vertwijfeling over hun rol. Vooral sinds zij meer onderzoeksjournalistiek plegen, is hun legitimiteit in het geding. Zij vallen aan, met de beste bedoelingen, misschien ook met het gelijk aan hun zijde. Maar daarbij zijn zij niet aan regels gebonden zoals de politie of de rechterlijke macht.

Tegelijk constateert Lacan dat veel journalisten zich zèlf schuldig maken aan wanpraktijken. Zij heulen met de macht, zij nemen geschenken aan, sommigen doen aan riooljournalistiek. En toch kunnen journalisten, vooral wanneer hun geluid door de televisie wordt versterkt, een compleet volksgericht veroorzaken.

Voor Bourdieu zelf ligt de conclusie voor de hand. Het wordt tijd, zegt hij, dat journalisten zich bezinnen op de regels van hun vak. Scholen voor de journalistiek zouden meer moeten doen om jonge journalisten voor te bereiden op de ethische dilemma's die hun wachten. Met die conclusie sluit Bourdieu zonder het zelf te weten naadloos aan bij de conclusie van het onlangs verschenen Visitatierapport van de commissie-Bank. Ook die beval de opleidingen voor journalistiek aan meer aan ethiek te doen.

Is daartoe ook in Nederland aanleiding? Wij beschikken niet over een oud-premier die zichzelf uit wanhoop van het leven berooft. En ook de dramatiek die de Fransen in bijvoorbeeld het bloedschandaal weten te leggen, is hier afwezig. Dit is niet het land van Dreyfus-affaires, maar van Brinkman en Co.

Maar laten we er ons niet te gemakkelijk van af maken. Heeft de pers Brinkman fair behandeld tijdens de verkiezingscampagne? Ik stel die vraag niet vanwege de uitzending van KRO's Reporter over Brinkmans commissariaat. Afgezien van sommige suggestieve beelden was dat gewoon nieuws. Ik denk eerder aan al die tv-uitzendingen waarin de man niet meer mocht zeggen dan dat hij de laatste opiniepeilingen ook bedroevend vond. Ook serieuze kranten hebben keer op keer geopend met door henzelf georganiseerde schaduwverkiezingen. Daarmee dreigt het politieke debat te worden gereduceerd tot handzame percentages over dalende of stijgende kiezersgunst, die op hun beurt weer nieuwe schommelingen uitlokken.

Over het algemeen heeft de Nederlandse pers een behoorlijk niveau. Maar dat betekent niet dat de ethische normen van het vak hier voor alle eeuwigheid duidelijk zijn. Ook hier hebben persfusies en de komst van (commerciële) televisie de wereld veranderd. De sterkere noodzaak om de aandacht van lezers en kijkers te vangen, zal - gewild of ongewild - leiden tot herijking van traditionele regels.