Moeders verjaardag

Vandaag is het mijn moeders verjaardag. Niet in het echt, want ze is al een hele, hele tijd dood. Als ze nog geleefd had was ze nu eenennegentig jaar geweest, want ze was van 1903. Kun je nagaan hoe lang dat al geleden is. Mensen vieren nooit de verjaardag van een dode, ze herdenken. Je kunt ook moeilijk in je stamcafé een rondje geven op de verjaardag van je dode moeder. Ik mis haar nog steeds en zie haar voor me met al haar zorgen en verdrietigheden, maar ook met haar lachen. Ze kon lachen dat de tranen over haar wangen rolden. “Kind, kind, is me dat lachen.” Ik geloof dat ze genoemd is naar haar grootmoeder die ook Jantje heette. In Ezinge staat op de grafzerk van die grootmoeder, dus eigenlijk mijn overgrootmoeder: “Gij wandelaar die ik niet meer ken, eens zijt gij een lijk als ik nu ben.” Groningers draaien er niet omheen. Afgezien van Kerstmis met echte kaarsjes in een geurige kerstboom en een piek, (de grootste van de hele buurt) en nieuwjaar met carbidbussen om mee te knallen, was mijn moeders verjaardag het hoogtepunt van alle feestdagen.

Mijn twee zusjes deden stiekem. Die sloten zich boven in hun slaapkamer op en stuurden je naar beneden als je bij hen in de buurt kwam. Geheimzinnigheid. Soms zaten ze op het muurtje voor ons huis en prevelden met elkaar, tenminste dat zag je vanuit het raam, maar als je buitenkwam, hielden ze hun mond of begonnen te lachen terwijl er niets om te lachen was. Heimelijkheid, wat je niet kon uitstaan omdat je duidelijk werd buitengesloten, maar waar je van genoot omdat het hoe dan ook van jou was, omdat je bij hen hoorde en je natuurlijk wel op je vingers kon natellen dat het met moeders verjaardag te maken had. O, was het maar zo ver.

Op moeders verjaardag was het altijd mooi weer. Ik herinner me niet dat er veel cadeautjes aan te pas kwamen. Moeder kreeg van haar zuster die met die gierige bakker was getrouwd, ondanks dat feit, een heerlijke, levensgrote slagroomtaart zoals ze nu niet meer bestaan, ontzaglijk vreselijk lekker. Die taart ging er meteen na schooltijd aan. Haast je. Haast je. De anderen zitten al aan de keukentafel met een bordje op het keukenzeil te wachten tot Tante Annie hem hoogst persoonlijk aansnijdt. We zaten niet in de huiskamer want die was voor 's avonds als iedereen kwam. Na het eten tegen een uur of acht. Ik herinner me niks van koffie met wat erbij. De taart was tenslotte al op. Nee, jenever, een advocaatje en zeker bessenjenever.

Waar was mijn jongste zusje nu toch al die tijd? Waarom stond die divan in de kamernis tegen de wand geschoven? Ik was gedienstig en liep van de keuken naar de kamer heen en weer om voor vader en de ooms bier te halen dat in een teiltje onder de lopende kraan stond, zodat het lekker koud bleef. Nu was mijn oudste zusje ook verdwenen, een en al zenuwen met rode vlekken want ze was wat van plan. “Als ik straks op de deur bons, doe jij de overgordijnen dicht en het grote licht uit, alleen de beide schemerlampen blijven aan.” Bons, bons, Gordijnen dicht. Licht uit. “Wat is hier aan de hand?” zegt vader. “Wat moeten die gordijnen dicht? Het is nog lang niet donker. Doe dat licht weer aan.”

Bons, bons. Daar komt mijn oudste zus. En hoe. Het blonde haar onder een scheef opgezette pet gestopt. Ze heeft een oud pak van vader aan. Een brandende pijp in de mond. Een snor onder haar neus geplakt van echt mensenhaar. Nu is het zonneklaar wat er gaat gebeuren: Toneel. Ze gaan een toneelstuk opvoeren ter ere van moeders verjaardag. Moet je moeder zien op de voorste rij. Fientje gaat met veel gepaf uit de pijp aan een tafeltje zitten en schenkt zich met grote-kerelgebaren een kop koffie in. En maar paffen en maar roepen 'ahum, ahum'. Ze kijkt naar de kastdeur en roept maar steeds 'ahum, ahum!' Er gaat iets mis met het toneelstuk, hebben we langzamerhand allemaal in de gaten. Er moet iets gebeuren wat niet gebeuren gaat. 'Ahum' roep ik nu ook, en nog een keer 'Ahum, ahum'. Er gebeurt niets. Wat wordt Fientje wit. Dat komt van dat gepaf en gelurk aan die pijp. Ze loopt naar de kast. “Ik ben er al. Je moet opkomen”, fluistert ze tegen de kastdeur. “Je moet opkomen.” Alles lacht en schatert. Ze gieren het uit. Dan moet Fientje wel ingrijpen en opent zelf de kast en ja hoor, daar ligt mijn jongste zusje languit onder de kleren omdat ze in slaap is gevallen. Moeder lopen de tranen over de wangen: “Kind, kind is me dat lachen!”