Het geweten van het Vaticaan

Het Vaticaan wil schuld bekennen voor wat christenen de joden tot in de twintigste eeuw hebben aangedaan. Het proces verloopt traag, een officiële verklaring kan volgens ingewijden nog jaren op zich laten wachten.

Twee jaar geleden gaf het Spaanse Toledo het Vaticaan een indrukwekkend voorbeeld: op de Plaza del Ayuntamiento, tussen de kathedraal en het aartsbisschoppelijk paleis, beleed de stad officieel schuld voor de verdrijving van zijn joodse bevolking in 1492. Twintig van hun nazaten afkomstig uit alle delen van de wereld, die nog altijd de familienaam Toledano voeren, waren uitgenodigd om namens duizend aanwezige joden de stadssleutel van Toledo in ontvangst te komen nemen. Een symbolisch gebaar waarmee na vijf eeuwen het onrecht dat 400.000 Sefardische joden trof, openlijk werd erkend.

De massale exodus van de joodse bevolking van Spanje was op gang gekomen, nadat de 'Acte van Verbanning' werd getekend: “Alle joden (..) dienen voor 1 juli 1492 de koninkrijken te hebben verlaten.” Hele gezinnen vluchtten met achterlating van al hun bezittingen de zee op, waar ze omkwamen van de dorst of door zeerovers werden vermoord. De joden die de kust van Italië bereikten verging het niet beter dan in Spanje; ze werden terug de zee ingedreven. In Griekenland, Portugal, Klein-Azië wachtte hen een ellendig lot. Het drama speelde zich af tijdens het pontificaat van paus Alexander VI. In plaats van het menselijk leed te verhinderen beloonde hij de aanstichters van het kwaad, Isabella en Ferdinand van Aragon en Castilië, met de eretitel 'katholieke koningen'.

Als de huidige paus de rol van de kerk in de ontwikkeling van het antisemitisme wil laten onderzoeken, zal het veel tijd vergen. De sporen liggen eeuwen vóór de Holocaust. Zo kende het gouden tijdperk van de Renaissance een opeenvolging van losbandige, wrede en verkwistende kerkvaders die de vervolging van niet-rooms-katholieken stimuleerde. Slechts één paus komt er in deze periode met schone handen uit tevoorschijn: Adrianus VI. Hij was de eerste en enige Nederlandse paus uit de kerkgeschiedenis. Voor deze sober levende humanist waren alle mensen gelijkwaardig. Toen hij in 1523 stierf, vierde Rome dan ook uitbundig feest. Over één ding was men het grondig eens: nooit meer zo'n 'barbaar uit het noorden' op de pauselijke troon.

Adriaen Florisz Boeyens was in 1459 geboren als de zoon van een Utrechtse timmerman. Hij had zo'n helder verstand dat hij na de Latijnse school theologie mocht studeren en priester werd. Eenmaal professor preekte hij openlijk tegen de misbruiken in de kerk, zoals de zedeloosheid van priesters. Deze moedige daad kostte Adriaen bijna het leven: de woedende maîtresse van een kanunnik mengde gif door zijn maaltijd. Eenmaal hersteld van een langdurig lijden, werd hij door het hof benoemd tot praeceptor van de jonge Karel van Bourgondië, de latere keizer Karel V. Toen Karel koning van Spanje was geworden, gelastte hij Adriaen mee te reizen naar het nieuwe koninkrijk. Tegen zijn zin legde de theoloog de lange hete reis af en in 1516 werd hij benoemd tot bisschop van Tortosa.

De bisschop was geen carrièremaker. Hij verlangde maar naar één ding; terugkeren naar het verre koele Utrecht. Om zich te troosten liet hij in zijn geboortestad het oude bisschoppelijke paleis aankopen. Waar Kromme Nieuwe Gracht en Achter Sint Pieter samenkomen, bouwde men voor hem een woning van rode bakstenen, afgewisseld met natuurstenen 'speklagen' en een dakbedekking van grijze leien. “God zelf gaf mij dit huis (..). Zelfs als ik paus was zou ik dit huis willen bouwen en zou ik in Utrecht willen verblijven”, schreef hij een vriend bij wijze van grap. Hij kon niet beseffen dat zijn opmerking harde werkelijkheid zou worden. Op 1 juli 1517 werd hij door paus Leo X tot kardinaal benoemd. Na diens dood volgde zijn volslagen onverwachte verheffing tot paus.

Hoe kon het zover komen? De negenendertig kardinalen die in de Sixtijnse kapel wekenlang in conclaaf bij elkaar zaten, waren het na tien stemmingen nog steeds niet eens. Toen liet kardinaal Alessandro Farnese, die zag dat jaloerse Italiaanse kardinalen elkaar nooit de tiara zouden gunnen, ten einde raad maar de naam van de bisschop van Tortosa vallen: “Een man die als een heilige wordt beschouwd.” Bij de volgende stemming won Adriaen uit Utrecht.

De christenwereld reageerde verbaasd op de benoeming van de onbekende. Maar niemand was zo verbaasd als Adriaen zelf. Hij had Karel V al een paar maal om ontslag gevraagd en wilde terug naar Utrecht. In plaats daarvan moest hij de zware taak van het pausschap op zich nemen en de reis naar het Vaticaan aanvaarden. Hij was ontzet over wat hij daar aan wantoestanden aantrof; kardinalen die in onvoorstelbare weelde leefden. Religieuze plichten werden verwaarloosd.

Adrianus VI begon vol ijver met zijn zuiveringsplannen: van de zevenhonderd hovelingen die zijn voorganger er op had nagehouden ontsloeg hij het grootste deel: koks, pages, valkeniers, componisten, stierenvechters, muzikanten, toneelspelers kwamen op straat te staan. Hij sprak zijn kardinalen streng toe en confronteerde hen met verregaande hervormingsplannen. Elke morgen droeg hij persoonlijk het misoffer op. Hij bekommerde zich om alle mensen. Zelfs de Indianen die door de Spanjaarden in de Nieuwe Wereld wreed werden behandeld, betrok hij in zijn gebed. Men noemde hem al gauw 'een bekrompen dorpspastoor'. Zijn pontificaat kon niet lang duren: in september 1523 openbaarde zich een dodelijke ziekte. Tot het laatst toe bleef de Nederlandse paus werken aan het herstel van de kerk. Adrianus VI stierf op 64-jarige leeftijd nadat hij één jaar en acht maanden de tiara had gedragen. Tengevolge van de zomerhitte zwol het lichaam van de paus op en verkleurde angstaanjagend. Zijn vriend kardinaal Willem van Enkenvoirt schreef een dag na de haastige begrafenis naar het stadsbestuur van Utrecht: “De paus is gestorven. Vermoedelijk door vergiftiging.”

Hoewel Adrianus VI om een eenvoudig graf had gevraagd liet Van Enkenvoirt een pompeus marmeren monument voor hem ontwerpen in de Santa Maria dell' Anima. Adrianus is in vol ornaat liggend vereeuwigd. De linkerhand ondersteunt het vermoeide hoofd dat de gouden, met edelstenen bezette tiara draagt. Het onderschrift drukt een en al mismoedigheid uit: “Helaas, wat maakt het veel uit in wat voor tijd zelfs de beste mens regeert.” Erasmus merkte later op, dat Adrianus VI wellicht de kerk had kunnen zuiveren als hij langer had geleefd.

Als paus Johannes Paulus II de slechte rol van het Vaticaan in het verleden laat onderzoeken, kan hij het pontificaat van Adrianus VI rustig overslaan.