EU niet populair bij eigen burgers

BRUSSEL, 13 JUNI. De vierde uitgave van de rechtstreekse verkiezingen voor het Europees Parlement heeft een merkwaardige Europese paradox blootgelegd. Nog nooit namen sinds 1979 zo weinig burgers de moeite om voor 'Europa' naar de stembus te gaan. Tegelijkertijd was het gisteren de dag dat de Oostenrijkers zich massaal en enthousiast aansloten als dertiende lidstaat bij de Europese Unie, daarmee psychologisch de weg effenend voor soorgelijke positieve resultaten van de volksraadplegingen die later dit jaar nog worden gehouden in Finland, Zweden en Noorwegen.

De Europese Unie is tegenwoordig voor de buitenwereld aantrekkelijker dan voor de ingezetenen. Kennelijk moet de conclusie van de verkiezingen luiden dat de vier nieuwe lidstaten zich volgend jaar zullen aansluiten bij een Unie waarvan de eigen burgers zich massaal hebben afgekeerd. Een Unie waarbinnen 'Europa' niet meer leeft, een Unie waarbinnen de naoorlogse droom van steeds nauwere Europese samenwerking gevoeglijk kan worden bijgezet bij het oud vuil van vervlogen idealen en afgelegde illusies.

Maar die laatste conclusie werd gisteravond niet getrokken in het gloednieuwe onderkomen van het Europees Parlement in Brussel, waar de verkiezingsuitslagen uit de verschillende landen de hele nacht bleven binnensijpelden. Dat is natuurlijk begrijpelijk, al was het alleen maar uit eigen lijfsbehoud. Zonder Europa verdwijnt immers ook de raison d'être van 567 Europarlementsleden.

Teleurstelling, verdriet, boosheid, frustratie waren zeker te proeven in de commentaren. Maar tegelijkertijd werd aan die gevoelens van onbehagen de verlossende analyse gekoppeld dat de Europese burger - door niet te gaan stemmen of door zijn stem aan een anti-Europa partij te geven - niet de Europese volksvertegenwoordigers, maar wel de Europese regeringen heeft willen afstraffen. De regeringen slagen er niet in om genoeg banen te scheppen, om een geloofwaardige houding ten opzichte van Bosnië in te nemen of om behoorlijk samen te werken bij de opvang van asielzoekers. De burger ziet dat, raakt daarover boos en heeft zijn frustraties nu afgereageerd op het Europees Parlement, zo luidde de stelling van VVD-lijsttrekker Gijs de Vries.

Een variant op deze theorie - 'het Europarlement fungeert als zondebok, verklaarbaar maar ten onrechte' - verwijt de regeringen uit de lidstaten dat ze het Europees parlement de bevoegdheden onthoudt om een duidelijke en betekenisvolle rol te spelen in de Europese besluitvorming. De burger ziet dat het parlement weinig te vertellen heeft, en ziet dus ook geen aanleiding om te gaan stemmen. Die paradox stipte Europees commissaris Van den Broek gisteravond aan: “Enerzijds klaagt men voortdurend over het ontbreken van het democratisch gehalte in Europa. Anderzijds loopt men niet warm om het instituut te ondersteunen, dat de waarborg moet zijn voor het democratisch gehalte”.

Misschien ligt in die laatste 'paradox' wel het grootste winstpunt van de huidige verkiezingsuitslag. De lage opkomst zet immers grote vraagtekens bij de 'vanzelfsprekendheid' van het Europarlement. Nu het bestaansrecht van het Europarlement op tafel ligt is het duidelijk dat de nieuwe parlementariërs hun huiswerk de komende jaren wel heel goed moeten doen, willen ze over vijf jaar alsnog slagen.

Die uitgangspositie is alleen maar positief te beoordelen. Het dwingt de parlementariërs er immers toe zich te profileren op die gebieden waar ze ook daadwerkelijk invloed hebben. Dat betekent concreet bijvoorbeeld minder vrijblijvende debatten over Joegoslavië, maar meer controle op de uitvoering van het communautaire beleid door de Commissie en in de lidstaten. Maar de belangrijkste rol die voor het nieuwe parlement wellicht is weggelegd, heeft te maken met de herziening van het Verdrag van Maastricht in 1996. Dan zetten de Europese regeringsleiders het Europese bouwwerk opnieuw in de steigers. Dat is voor het parlement een uitstekende gelegenheid om een 'vlucht naar voren' te doen en zich een volwaardige positie te verwerven. Maar om die vlucht naar voren mogelijk te maken, moet het parlement zich wel een stevige plaats verwerven in de voorbereidende discussies op die conferentie.

Om de kloof met de burger te dichten is het daarbij van essentieel belang dat de steeds scherper wordende 'richtingenstrijd' over de vormgeving van Europa zo helder mogelijk wordt gevoerd, waarbij bedoelingen en bijbedoelingen voor iedereen zichtbaar op tafel komen. Zo bezien is de komst van grote groepen anti-Europeanen in het parlement, uit onder andere Denemarken, geen ondermijning maar juist een versterking van dat parlement. Het dwingt de voor- en tegenstanders van Europa tot aanscherping van hun argumenten, en dat zal de inzichtelijkheid alleen maar ten goede komen.