De inburgering van ingezetenen

Laatst was ik in Istanbul en daar werden me de oren van de kop geklaagd door verlichte intellectuelen, die schande spraken over de 'hordes barbaren' uit Anatolië die de stad hadden overmeesterd. In twintig jaar is de bevolking van Istanbul gegroeid van twee miljoen naar twaalf miljoen inwoners. Ze raakten niet uitgepraat over al die achterlijke landgenoten, die in vervoering wegzinken bij de leerstellingen van het fundamentalisme, en de open atmosfeer van hun stad ruïneren. Immigratie als een vernietiging van kosmopolitisme, dat was een interessant gezichtspunt.

Wat nog veel boeiender is: de mensen waarover zij klagen emigreren ook naar een stad als Amsterdam. Tegen de autochtone bewoners hier wordt gezegd dat ze de culturele afstand tussen hen en een gelovige moslim van het Turkse platteland niet moeten overdrijven. We zouden het niet in ons hoofd halen om in dezelfde bewoordingen als de bovenlaag in Istanbul over deze Turkse immigranten te spreken. Daar zijn goede redenen voor, al was het maar omdat de bevolkingsexplosie in Istanbul in geen verhouding staat tot de omvang van de immigratie in een stad als Amsterdam, maar het laat wel zien dat de multiculturele samenleving vele valkuilen kent.

Er zijn twee omschrijvingen van multiculturalisme, die onvoldoende onderscheiden worden. Allereerst een zwakke vorm. Het hoogst bereikbare in deze zienswijze is 'ontspanning' en 'stabiliteit' in het verkeer tussen de uiteenlopende leefstijlen en wereldbeschouwingen op één grondgebied. In deze relativistische denktrant zijn culturen min of meer gesloten eenheden, die onvergelijkbaar zijn. Wat een multiculturele gemeenschap verenigt blijft vaag, want deze opvatting benadrukt en reguleert enkel de verschillen.

Maar er is ook de sterke omschrijving van multiculturalisme. Dan gaat het om de verdediging van een open samenleving, die duidelijke grenzen stelt aan de culturele veelvoud. Hier heerst het gemeenschappelijke ten koste van het verschil. De liberale democratie poseert vaak als een neutrale arena waarbinnen culturen kunnen botsen en versmelten. Maar zoals de Rushdie-affaire laat zien, houden de neutraliteit en het relativisme ergens op. Er is in het openbare leven bijvoorbeeld geen plaats voor stromingen die de scheiding van staat en kerk willen opheffen. Deze opvatting biedt geen genoegdoening aan etnische groepen, die in de liberale democratie een weigering zien om hun cultuur als van gelijke waarde te erkennen.

Is er eigenlijk wel een 'onschuldig' multiculturalisme? De sterke vorm is misleidend, namelijk een ander woord voor het westerse idee van pluralisme en een open samenleving. En de zwakke vorm is een bedreiging, namelijk een uitnodiging tot apartheid, die leidt tot het afschuwelijke vocabulaire van de 'political correctness'.

Er zijn verschillende redenen waarom de zwakke opvatting in Nederland navolging zou kunnen vinden. Multicultureel samenleven doet aan de geschiedenis van de verzuiling denken. Emancipatieprocessen voltrekken zich altijd via de cyclus van afzondering, nadruk op eigen identiteit, verwerving van zelfvertrouwen die stappen mogelijk maakt in de richting van integratie en uiteindelijk vermenging. Dus gescheiden samenleven gaat vooraf aan wederzijdse doordringing. Dus wat is er tegen een islamitische zuil, van school tot zielszorg? Deze vergelijking gaat op en ook weer niet. Want boven de verzuilde verdeeldheid was er zoiets als een nationale identiteit, die geschraagd werd door een grondwet, een geschiedenis en een eigen taal.

Er is nog een andere reden waarom de zwakke opvatting veld kan winnen. Als zelfvertrouwen de voorwaarde is voor openheid en integratie, dan is het niet enkel de vraag of de etnische minderheden daarover beschikken, maar tegelijk of de meerderheden wel een dergelijk stabiel zelfbeeld hebben. Francis Fukuyama schreef in een beschouwing over immigratie in de Verenigde Staten: “Menen wij dat onze westerse, rationele, egalitaire, democratische beschaving zo geslaagd is dat wij nieuwe bewoners van dit land mogen dwingen zich onze taal en regels eigen te maken, of gaan we in ons respect voor andere culturen zo ver dat de Amerikanen geen gemeenschappelijke stem overhouden om met elkaar te spreken?” (NRC Handelsblad, 31 juli 1993). Een gemakzuchtig multiculturalisme kan school maken, wanneer we niet meer zo goed weten wat onze samenleving nog bijeenhoudt.

Daarom is het verheugend dat in een deze week te verschijnen rapport van de hoogleraren Van der Zwan en Entzinger een poging wordt ondernomen om een verplichtende opvatting van een multiculturele samenleving te verdedigen. Uit wat al van hun voorstel bekend is geworden kan men opmaken dat het een pleidooi is voor een veel sterkere nadruk op inburgering van allochtonen dan totnogtoe gebruikelijk was. Onder meer door het scheppen van goedkopere arbeidsplaatsen en het aanbieden van programma's die de immigranten vertrouwd kunnen maken met de Nederlandse taal en cultuur.

Wil een dergelijk opvatting van multiculturalisme succesvol zijn en niet discriminatoir dan moet ten minste aan twee voorwaarden zijn voldaan. Tegenover de nieuwe verplichtingen behoren ook nieuwe rechten te staan. Het gemakkelijker verwerven van het Nederlandse staatsburgerschap, eventueel naast de eigen nationaliteit, is een mogelijkheid. Minimaal zou naast het stemrecht in de gemeentes voor eenieder die hier vijf jaar woont, ook de mogelijkheid open moeten staan om aan landelijke verkiezingen deel te nemen.

Verder behoort een nadruk op verplichtingen voor nieuwkomers onderdeel uit te maken van een sterkere opvatting van burgerschap voor de ingezetenen. Want naast begrijpelijke obstakels als de oplopende werkloosheid, is de grootste belemmering voor een sterk multiculturalisme dat veel Nederlanders zelf getuigen van een tanende zin voor gemeenschap. Een samenleving die zich jarenlang te weinig heeft bekommerd om verschijnselen als fraude en arbeidsongeschiktheid kan van nieuwkomers niet anders verwachten dan dat ze zich aanpassen aan zo'n slordig langs elkaar heen leven. Wie het onderwijs in de Nederlandse geschiedenis aan de eigen bevolking verwaarloost mag er niet op hopen dat uitgerekend allochtonen zich die wel eigen zullen maken. Een samenleving tenslotte, die de deelname aan de eigen democratie niet goed onderhoudt, kan een gevoel van verantwoordelijkheid niet aanmoedigen bij mensen die van ver komen. Elke inburgering van immigranten veronderstelt dan ook de inburgering van ingezetenen.

De multiculturele samenleving van alledag zal vooralsnog wel bezaaid blijven met valkuilen. Onlangs was ik in Paradiso voor een concert van de fameuze Algerijnse Rai-zanger, Cheb Khaled, die uit zijn land van herkomst verbannen is. Bij aankomst zag het blauw van de politie. Een stuk of vijftig Marokkaanse jongeren was naar binnen gebroken. Wat me vooral opviel was de angst in de ogen van de politieagenten, die geacht werden de zaak in goede banen te leiden. Het duurde heel lang voordat één van de volkomen doorgedraaide bendeleden werd opgepakt.

Het concert van Khaled was meer dan fantastisch. De mengeling van het publiek was mooi: half Nederlands, half Marokkaans, Turks, Algerijns en wat al niet. Maar bij voortduring laaiden vechtpartijen op, die snel weer in de massa wegebden. De agressie rolde als een onstuitbare golf door de zaal, maar leek Khaled niet te deren, die had al wel meer meegemaakt tijdens zijn concerten. Ik schrok wel van de tomeloze woede om me heen. De hoogte- en de dieptepunten van de multiculturele samenleving liggen dicht bij elkaar, en misschien is dat wel teveel voor ons geëffend gemoed.