Chinese muziek: naar eenwording met natuur

Concert: Radio Kamerorkest o.l.v. Mark Foster. Gehoord: 12/6 Beurs van Berlage Amsterdam.

De 'nacht van de jakhals' zou een passende titel zijn geweest voor het laatste van de drie Chinese concerten in het Holland Festival. Steeds weer huilende glissandi aan het eind van een frase, het leek wel lente bij volle maan, ook door de merkwaardige staalblauwe verlichting op het podium van de Beurs van Berlage. Chen Qigang, de enige componist die zich al vóór de Culturele Revolutie vormde en als meest westers een buitenbeentje bleef in dit gezelschap, demonstreerde dat de wereld van de computer niet in tegenspraak hoeft te zijn met die van de Chinese, zoals beschreven door Su Shi in 1076: “De maan is duister en helder, rond en onvolledig; van oudsher zijn noch mens noch maan volmaakt. Ik hoop alleen dat wij, ook ver gescheiden, wel altijd zullen delen in haar zachte schijnsel.”

De elektronische klanken die Qiang in 1992 ontdekte, behielden voor hem hun raadselachtigheid en bleken volmaakt in staat zijn dromen te verbeelden. Prachtige beschouwelijke muziek, zij het tegen de kitsch aan en vooral ijzersterk wanneer het orkest de muziek op de band imiteert. Hij valt door de mand als hij een instrument solistisch inzet, zoals de te paradijselijke piano-arpeggio's, want dan klinkt onversneden kitsch.

Mong Dong (1984) van Qu Xiaosong ontstond in een inspiratie op de primitieve rotsschilderingen van de Wa's in Zuidwest-China, en dat overtuigde mij veel meer. Xiaosong ziet de schilderingen niet als uiting van beschaving, maar als deel van de natuur! Ook volkse muziek kan dat naturel suggereren en daarnaar streven de Chinezen - Xiasong dus enigszins uitgezonderd, al geldt ook voor hem dat hij pas in het buitenland zich bewust werd van zijn Chinese afkomst. Het slot van Mong Dong is trouwens op volksmuziek gebaseerd en vooral daar bereikt hij die 'prehistorische' kalmte waarin de mens één lijkt te worden met de natuur.

Tan Dun's On Taoism is hier al eerder beschreven bij de première op het ISCM-festival 1989. Nu trof mij meer de esthetisch-filosofische inslag dan het hectisch-betogende zoals destijds.

De Nederlandse composities van Zuidam en Janssen contrasteerden vreemd in hun hardvochtig-hoekige kwaliteit, jazzy-luidruchtig. Hooguit had de humor van Janssens Bruuks nog enige verwantschap met de Chinese muziek kunnen tonen als het geplaatst was op het eerste concert naast Guo Wenjing. Beiden hebben gevoel voor een wonderlijke mix van sacraal en vermakelijk.

Wat het Radio Kamerorkest onder de geacheveerde leiding van Mark Foster zo voortreffelijk verklankte, waren geen humoristische momenten maar voornamelijk gevoelens van weemoed en menselijke eenzaamheid, vooral ook een poging het gan-wu te bereiken: het zich één voelen met de dingen, resulterend in een maandronken muziek, verbonden met de mysterieuze krachten van de natuur, zoals wij die alleen uit de beschrijvingen kennen en in dat blauwe schijnsel een moment konden terugvinden.