Bijbelband en villadorpen vonden weg naar stembus

ROTTERDAM, 13 JUNI. De opkomst bij de verkiezingen voor het Europese Parlement was ongekend laag, maar dat was lang niet overal in Nederland het geval.

Die gemeenten in Zeeland, Zuid-Holland, Gelderland en Overijssel waar de gereformeerde gezindten sterk vertegenwoordigd zijn, togen wel massaal naar de stembus, evenals villadorpen als Bloemendaal, Heemstede, Rozendaal en Wassenaar. Opkomstpercentages van ruim boven de veertig procent waren daar bij deze verkiezingen heel gewoon. Ook de Wadden kenden een hoge opkomst, maar dat is - op zijn minst voor een deel - een vertekend beeld, omdat ook veel niet-ingezeten vakantiegangers hun stem daar uitbrengen.

In absolute zin moge de opkomst verrassend zijn, de verdeling daarvan is dat geenszins. Gemeenten waar de kiezers en masse thuisbleven hadden doorgaans ook bij de Europese verkiezingen van 1989 en bij de Tweede-Kamerverkiezingen van 3 mei een lage opkomst. En de toppers van 9 juni waren dat ook bij eerdere Europese en Kamerverkiezingen. De stabiliteit van die verdeling is niet zo verrassend, wanneer men bedenkt dat er een sterke verbanden bestaan tussen opkomst en religie enerzijds en opkomst en opleiding anderzijds. Hoewel de Nederlandse bevolking de afgelopen decennia aanzienlijk mobieler is geworden, vertoont de religieuze kaart van Nederland nog altijd duidelijke patronen, en hebben zowel hoger als lager opgeleiden de neiging in de buurt van soortgenoten te gaan wonen.

Toch vertoont de geografische spreiding van de opkomst ook patronen die niet direct verklaarbaar zijn. Zo ligt er in het noordelijk deel van katholiek Nederland een circa twintig kilometer brede band met een bijzonder lage opkomst, zowel bij deze verkiezingen, als bij die van vijf jaar geleden, als bij de Kamerverkiezingen van 3 mei.

Opmerkelijk is dat het gebied waar extreem rechts zeer hoog scoorde bij de Kamerverkiezingen - West-Brabant en Zeeuws Vlaanderen - nu wordt gekenmerkt door een zeer lage opkomst. De neiging om op de CD te stemmen bij een belangrijke verkiezing vertaalt zich bij een minder belangrijke verkiezing in thuisblijven. Rucphen, de gemeente waar de CD op 3 mei met 9,1 procent het hoogst scoorde, haalde afgelopen donderdag de laagste opkomst van heel Nederland: 22,5 procent. Bij de Kamerverkiezingen was Rucphen overigens ook kampioen thuisblijven. De opkomst was daar toen 66,5 procent, ruim twee procentpunt minder dan de gemeente met de op een na laagste opkomst, Rotterdam.

Waar Europese verkiezingen en Tweede-Kamerverkiezingen qua opkomst eenzelfde geografisch beeld laten zien, is dat bij gemeenteraadsverkiezingen niet het geval. Rucphen bijvoorbeeld haalde bij de raadsverkiezingen van 2 maart een heel behoorlijke opkomst (66,3 procent). Wanneer de opkomst van de raadsverkiezingen in een (niet afgebeelde) kaart wordt weergegeven, is de noordkatholieke band geheel verdwenen. Op enkele geïsoleerde uitzonderingen na kennen West- en Noord-Brabant een vrij hoge tot zeer hoge opkomst.

Ook in Limburg is de opkomst bij de raadsverkiezingen hoog, in veel gemeenten zelfs hoger dan bij de Kamerverkiezingen. Veelal - maar niet altijd, niet in Maastricht bijvoorbeeld - zijn katholieke gemeenten met een hoge opkomst bij de raadsverkiezingen tevens gemeenten waar lokale partijen een belangijke rol spelen. Een massale betrokkenheid bij de lokale politiek gaat dus in veel gemeenten gepaard aan een relatief grote mate van desinteresse in landelijke politiek. Hetgeen in elk geval leert dat men voorzichtig moet zijn met geweeklaag over desinteresse in de politiek. Kiezers onderscheiden duidelijk meer dan één politiek.

Van alle politieke stromingen in Nederland is de aanhang van de kleine christelijke partijen verreweg het sterkt geconcentreerd in bepaalde regio's. Deze bevindt zich in de 'Bijbelband' die van Walcheren naar de kop van Overijssel loopt. Ook in het noordwesten van Groningen en het noordoosten van Friesland heeft klein rechts, evenals het CDA, een trouwe aanhang.

Het electoraat van het CDA brokkelt ook in geografische zin af. Dit proces is al decennia lang gaande. Het CDA is nog altijd sterk in het zuiden, maar het kerngebied is langzamerhand ineen gekrompen tot Oost-Brabant en Noord-Limburg. Verder heeft de partij in Friesland, Overijssel en de Achterhoek nog een stronghold. Het Groene Hart moet het CDA in toenemende mate prijsgeven aan de VVD en D66.

De beide niet aan verzuild Nederland gebonden partijen rukken op vanuit het verstedelijkte westen. Scherp is het contrast in aanhang van deze partijen op de Zuidhollandse en Zeeuwse eilanden. Voorne-Putten is inmiddels een van de sterkste liberale bolwerken, maar op Goeree-Overflakkee - één eiland verder - maken de partijen weinig klaar. Weer een eiland verder, op Schouwen-Duiveland, lukt het de liberalen wel om aan de bak te komen.