Afscheid van Nederland (12)

Lieve Tessa

Heel even, gelukkig niet langer dan de duur van een bliksemflits, sloeg de schrik mij om het hart toen ik je brief uit Sintra begon te lezen. Uit de eerste woorden meende ik namelijk te moeten afleiden dat ook jij je opmaakte om het thema te behandelen dat in de Nederlandse literatuur kennelijk in zwang is. Zoals je ongetwijfeld hebt gemerkt, worden niet meer alleen de eigen psyche en het eigen seksleven uitputtend behandeld, maar hebben enkele schrijvers zich ten doel gesteld ons uitvoerig te informeren over alle verwikkelingen rond hun onroerend goed: contractbreuk, lastige huurders, een nieuwe keuken, herstel van gevels, onenigheid met buren of huisbaas, alles is goed om pagina's te vullen. En ofschoon ze diep in hun hart waarschijnlijk zelf inzien hoe kneuterig het is - degenen over wie ik het heb zijn niet allemaal ongevoelig of onwetend -, toch wordt op het omslag van dergelijke schrijfsels het etiket roman geplakt, en zo wordt tot literatuur verheven wat in feite niet veel meer is dan gekissebis van ouwe wijven.

Nu mag ik mij net als de rest van de mensheid graag vermaken met de toedracht van een ruzie, maar wil dat in de vorm van een boek zijn, dan moet die wel boven het banale uitstijgen. Daarom huiverde ik toen ik las dat je in Sintra een bouwval had ontdekt. Arme Tessa, dacht ik, zit nog niet eens definitief in Portugal en heeft al plannen voor een onroerend-goedroman!

Gelukkig merkte ik meteen daarna dat je het had over het beroemde Hotel Lawrence, daterend uit 1780 en daarmee, naar men aanneemt, het oudste hotel van Portugal. Het wordt vaak geciteerd in het werk van Eça de Queiroz, maar het begin van zijn roem ligt in 1809, toen Byron er zijn intrek nam en een gedeelte van Childe Harold's Pilgrimage schreef.

Dat een Amerikaan in 1935, zoals je me vertelt, de ruit heeft gestolen waarin Byron in een romantische bui zijn naam had gegraveerd met de diamant van zijn ring, vind ik eerlijk gezegd niet schokkend. Het enige opvallende daaraan is in feite dat het meer dan een eeuw heeft geduurd voordat het gebeurde. Wat mij daarentegen wel echt verraste en in zekere zin ook met schaamte vervulde, was je mededeling dat een Nederlander de ruïne heeft gekocht, met de bedoeling het hotel zijn oorspronkelijke naam en luister terug te geven.

Als het zou gaan om een uitzonderingsgeval van nalatigheid van mijn volk, zou ik zeggen, alla. Was het een geïsoleerd geval van Bataafse ondernemingsgeest, dat zich gewoon puur toevallig voordoet in Portugal, dan zou ik zeggen, bravo. Met tegenzin moet ik echter vaststellen dat niet alleen mijn landgenoten mij steeds nalatiger lijken, maar dat de Nederlanders in mijn land een metterdag driftiger activiteit ontplooien. Die niet beperkt blijft tot het bedrijfsleven en de veeteelt, maar zich al uitstrekt tot de kunstwereld. Er zitten hele hordes Nederlandse schilders en de intellectuelen vinden in onze bergen de voor introspectie zo broodnodige rust. Bovendien hebben zowel ondernemers als kunstenaars het dubbele voordeel ontdekt dat Portugal hun biedt: aan de ene kant kunnen ze zich op de borst kloppen dat ze zo solidair zijn met de armen, aan de andere kant - omdat de inefficiënte fiscus dat niet van hen eist - hoeven ze de belastingen niet te betalen die de nood van diezelfde armen zou kunnen lenigen.

En zo bekruipt mij de laatste tijd een vreemd gevoel: na meer dan tweederde van mijn leven als emigrant in Nederland te hebben doorgebracht, heb ik soms als ik in Portugal ben de indruk dat ik gekoloniseerd word.

Hartelijke groeten.