Vrakking verwijt IRT disproportionele acties

AMSTERDAM, 11 JUNI. Het Interregioneel Rechercheteam Noord-Holland/Utrecht (IRT) richtte zich in zijn omstreden onderzoek op “heel middelmatige criminelen” waarbij een disproportioneel zware methode werd toegepast. Het was bovendien volkomen ongewis of het onderzoek, waarbij een informant werd toegestaan grote partijen drugs in te voeren, bewijs zou opleveren tegen het hoofd van de organisatie waarop het IRT zijn onderzoek richtte.

De Amsterdamse hoofdofficier van justitie, mr. J.M. Vrakking, zegt dit in een vraaggesprek met deze krant waarin hij verklaart waarom hij destijds besloot het IRT te ontbinden. Vrakking zegt dat hij geen moeite heeft met de infiltratietechnieken die het IRT toepaste, maar dat de maatvoering in de operatie zoek was. “Als je met zwaar geschut een toilethuisje in elkaar knalt, kan je beter een handgranaat gebruiken”, aldus Vrakking, die voor het eerst publiekelijk reageert op de afloop van de IRT-affaire.

Vrakking noemt de commissie-Wierenga, die het optreden van de hoofdofficier bij de opheffing van het IRT in maart ernstig bekritiseerde, bevooroordeeld bij het verrichten van haar onderzoek. De commissie heeft volgens Vrakking stelselmatig naar de conclusie toegewerkt dat “die eigenwijze Amsterdammers het IRT willens en wetens hadden opgeblazen”.

Ook meent Vrakking dat de commissie ten onrechte de suggestie heeft gewekt dat hij tijdens het onderzoek van de commissie informatie zou hebben gelekt naar de pers. Vrakking vindt dat “onbehoorlijk en grievend”.

Volgens de Amsterdamse hoofdofficier hoeft de hoofdstedelijke politie geen personele wijzigingen in de top van haar organisatie door te voeren om samenwerking met korpsen in Noord-Holland en Utrecht in de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit weer mogelijk te maken.