Voorbeschikt tot groei; Azië vindt rijkdom onder zachte dwang van Confucius en Boeddha

Over tien jaar is de economie van Oost-Azië groter dan die van de VS en Europa samen. Nu al exporteert Hongkong meer dan Nederland. Bestaat er een oriëntaalse weg naar rijkdom en geluk? Wat vlijt, discipline, Confucius en de Amerikaanse locomotief vermogen. De reus in het Oosten ontwaakt.

'Het gras moet buigen als de wind passeert', had Kung Fu Tse, beter bekend als Confucius, 25 eeuwen geleden gezegd. Gehoorzaamheid aan de autoriteiten -regering, ouders, goden - is nog altijd een zeer belangrijk basisprincipe in Azië. De afgelopen dertig jaar beleefde Oost-Azie een fenomenale economische opkomst. Mede dankzij het confucianisme en het even oude boeddhisme, zo wordt gezegd. Maar waarom niet al duizend jaar eerder?

'Het Verre Oosten' roept nog steeds een armoedig en folkloristisch beeld op: dampende rijstkommen, sissende sampans en overbevolkte grote steden. Maar dat geldt nog slechts voor de Filippijnen. Andere landen in de regio zoals Japan, Hongkong, Taiwan, Maleisië zijn op en top industrielanden, waar de inkomens het Westers niveau benaderen of overtreffen.

Lantau Eiland, het grootste maar schaars bewoonde eiland van Hongkong, is zowel het zinnebeeld van Aziatische traditie als van voorspoed. In het hart van het rotsachtige eiland staat een 34 meter hoog, imposant Boeddha-beeld. Op zondag, wanneer de hardwerkende Hongkong-Chinezen zichzelf vrij gunnen, nemen duizenden de veerboot naar Lantau om Boeddha te eren. Ze bezoeken er het Po Lin-klooster, gelegen aan de voeten van de Heer. Ze struinen door de theetuin en drinken er Wan Mo Cha, de thee van wolken en mist.

Aan de noordzijde van het eiland schittert de vooruitgang. Hier wordt het nieuwe vliegveld van Hongkong gebouwd, een project dat door zijn omvang, durf en exorbitante kosten (20 miljard dollar) zijn weerga niet kent. De horizon wordt er nu nog bepaald door baggerschepen uit Nederland en België, huizenhoge shovels en het puin van opgeblazen rotsen. Over drie jaar moet hier een luchthaven zijn verrezen die waarschijnlijk de meest geavanceerde ter wereld zal zijn.

Hongkong is hèt uithangbord van kapitalistisch succes, gebed in oriëntaalse cultuur. Tony Miller, directeur-generaal van het ministerie van handel in de kroonkolonie, ziet Hongkong zelfs als lichtend voorbeeld voor de mensheid. “Hongkong leert dat de mogelijkheden van de homo sapiens om door eigen inspanningen zijn omgeving te verbeteren enorm zijn”, zegt Miller, een Brit van geboorte en sinds 1972 in Hongkong gevestigd. Hij wil niet te veel theoretiseren; als de vrije markt ongestoord kan werken komt de welvaart vanzelf, redeneert Miller onder verwijzing naar de econoom Adam Smith. “In deze regio mogen de mensen de vruchten van hun werk behouden. Dat prikkelt vanzelf tot harder werken; dat leidt tot hogere winsten.”

Shu-hsien Liu, hoogleraar filosofie aan de universiteit van Hongkong, graaft wèl naar oorzaken. Hij legt uit waarom het oosters kapitalisme recentelijk ontstond en niet tijdens de Ming-dynastie in de vroege Middeleeuwen. “De fundamenten waren toen weliswaar aanwezig, maar er heerste tirannie. Zodra iemand te succesvol was greep de keizer in. Hup, daar ging de kop van de zakenman.” Een feodale, contra-produktieve structuur hield de meeste landen in het Verre Oosten eeuwenlang in haar greep. “De dictatuur van de keizer en de mandarijnen was contra-produktief. De autoritaire regimes van deze tijd in Singapore, opgezet door Lee Kuan Yew (25 jaar premier, sinds 1990 sterke man achter de schermen), en in Taiwan, door Chiang Kai-shek (gestorven in 1975), streefden steeds naar welvaart voor iedereen. Politiek gezien wilden Chiang en Lee nog steeds alles controleren, maar in de economie lieten zij maximale vrijheid toe”.

Vlijt

De Duitse socioloog Max Weber bestudeerde begin deze eeuw al uitgebreid Oosterse filosofieën en religies. Volgens Weber sluiten het confucianisme en de vrije ondernemingsgewijze produktie elkaar juist uit. Het eigen initiatief, onontbeerlijk voor het kapitalisme, zou nimmer de dociele mentaliteit van de oosterse maatschappijen kunnen doorbreken, zo redeneerde hij.

Hij had wat China betreft gelijk. Het land met de meeste inwoners ter wereld, bleef in zijn economische ontwikkeling ver achter bij Amerika en Europa, die midden in de industriële revolutie zaten. Maar Japan ontworstelde zich, na de zogeheten Meiji-restauratie van 1868, daarentegen aan het feodalisme. Met succes werd de weg naar het industriële kapitalisme ingeslagen. Het confucianisme, met zijn discipline, streven naar harmonie, spaarzaamheid, vlijt en accent op onderwijs bleek juist aan de basis van het succes van de Japanse economie te staan.

Professor Liu: “Alle landen in de regio die in de confucianistische traditie staan zijn nu succesvol, landen met een andere achtergrond, zoals de Filippijnen zijn achtergebleven.” Maar hij waarschuwt tegen een strikt oorzakelijk verband. Het was een min of meer toevallige combinatie van een aantal factoren die leidde tot de werkelijke take-off van het Verre Oosten: de noodzaak van wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog. De introductie van moderne Westerse technologie en bestuur door de Amerikanen. Een afzetmarkt in de VS - het lijkt er meer op dat pas gaandeweg het nut van het confucianisme bleek.

Van een 'zuiver' confucianisme is volgens Liu allang geen sprake meer. Het huidige gedachtengoed van de Oosterse samenleving is een kluwen van ideeën ontleend aan Confucius, Lao Tse (het taoïsme) en Boeddha. In de spirituele beleving van de Aziaten van vandaag gaat verreweg de grootste eer naar Heer Boeddha, die van zijn oorspronkelijke status als 'goed mens' is geëvolueerd tot een bijna-godheid.

Het boeddhisme heeft aan het economisch succes van het Oosten zeker zoveel bijgedragen als het confucianisme. “Het boeddhisme is een strategie van de gulden middenweg, niet te veel naar links, niet te veel naar rechts”, zegt Suchit Boonbongkarn, decaan aan de faculteit politieke wetenschappen van de Chulalongkorn universiteit in Bangkok. “Het is in feite geen religie, maar een levensfilosofie en wel een zeer praktische. Het gaat om het hier en nu, het leven op aarde.” 'Wie geen doel heeft in het leven, verspilt zijn energie', is het adagium van de Thais. Thailand is het land met het hoogste percentage boeddhisten ter wereld: 95 procent van de 57 miljoen inwoners.

Zachte dwang

Ondanks alle kritiek die in het Verre Oosten op de Verenigde Staten worden geuit, ook door regeringsleiders, wijzen de meeste Aziatische landen de Amerikanen toch aan als de gangmakers van de economische opmars. Liu: “Geschiedenis is een gek ding. Enkele decennia geleden was de 'afhankelijkheidstheorie' in zwang: het kapitalisme, de VS voorop, maakte de rest van de wereld van zich afhankelijk. Weg met het kapitalisme, was de leus. Vandaag is men het er over eens dat de Amerikanen juist de locomotief waren die de Aziatische wagons na de oorlog optrokken”, zegt Liu.

De Chinezen en hun tradities verspreidden zich vanaf begin deze eeuw over heel Zuidoost-Azië, waar ze als plaatselijke entrepreneurs de gangmakers werden van economische ontwikkelingen, ook in landen die niet in de confucianistische traditie stonden; Maleisië en Indonesië zijn islamitisch maar het bedrijfsleven wordt er bepaald door de Chinezen. De grote Japanse bedrijven profiteerden na de oorlog dankbaar van de Chinezen en de (aanvankelijk) lage lonen door overal in de regio vestigingen te openen. Het gebied raakte in een stroomversnelling, waarbij het ene land het andere mee omhoog trok.

Tussen de Oostaziatische landen bestaan niettemin grote verschillen. “Hongkong is het ene uiterste”, zegt Miller, “met een vrijwel totale afwezigheid van overheidsbemoeienis: iedereen kan doen wat hij wil. Zuid-Korea is het andere uiterste, met Taiwan en Singapore daar tussenin. Alle overheden investeren echter in onderwijs en infrastructuur.” Het leitmotiv van alle landen is: geen interventie tenzij het niet anders kan.

In het kielzog van de economische voorspoed in het Verre Oosten zijn politieke aspiraties ontstaan. Sommige Aziatische regimes gaan er prat op een beter maatschappelijk systeem te hebben ontwikkeld dan het Westerse. De Aziatische redenering is als volgt: democratie heeft weliswaar geleid tot grote welvaart, en burgerlijke vrijheden zijn een groot goed, maar het is te ver gegaan. Westerse maatschappijen kennen te veel geweld, gezinnen vallen er te gemakkelijk uit elkaar en met de moraal in het algemeen is het bitter slecht gesteld, vindt menige politieke leider in het Verre Oosten. Daar tegenover wordt een pleidooi gehouden voor meer discipline, strengere straffen en, als het nodig wordt geacht, het beperken van vrijheden. Zachte dwang uit de oriënt versus absolute occidentale vrijheid, zo is het beeld.

Stokslagen

De meest uitgesproken vertegenwoordigers van deze denkwijze, ook wel neo-confucianisme genoemd, is de stadstaat Singapore. Voor een bezoeker lijkt Singapore op een aangeharkte tuin. Hier en daar woekert nog een restje onkruid, waar het bewind eerstdaags nog mee zal afrekenen. Een perfect volkstuintje, dat is precies waar de oppermachtige Peoples Action Party, die Singapore sinds 1965 onafgebroken bestuurt, naar streeft. “De Amerikanen zijn ervan overtuigd dat hun samenleving, ondanks alle gebreken, de beste ter wereld is”, zegt Kishore Mahbubani, onderminister van buitenlandse zaken. Hij wijst vergenoegd op de cijfers die het tegendeel moeten bewijzen: de VS kennen relatief het hoogste aantal moorden, verkrachtingen en andere geweldsdelicten ter wereld. Kishore vindt dat de democratie “over de schreef” is gegaan. Maar hij voegt eraan toe: “Het waarschuwen voor de vele verborgen zwaktes en gevaren van de democratie is niet hetzelfde als een pleidooi voor een totalitair of autoritair systeem.”

De neo-confucianisten propageren een 'gecontroleerde democratie'. Dat houdt onder andere in dat de pers aan banden is gelegd. Het kritiseren van de regering in Singapore is taboe. Het bestrijden van de (weinig voorkomende) criminaliteit gebeurt met harde hand, zoals vorige maand een Amerikaanse teenager mocht ervaren die stokslagen kreeg voor vandalisme. Op zware vergrijpen staat de doodstraf, die ook wordt voltrokken.

De leiders van Singapore redeneren dat Aziaten minder behoefte hebben aan democratie en ze stellen hun ideeën graag voor als gemeengoed in Oost-Azië. Hongkong en Taiwan omarmen echter veel meer dan Singapore het Westerse vrijheidsideaal. En in Thailand is sinds de politieke opstand van intellectuelen en de middenklasse, twee jaar geleden, tegen de militaire bemoeienis met het landsbestuur een nieuw democratisch zelfbewustzijn ontstaan. De Thaise socioloog Chaiwat Thirapantu kan zich mateloos opwinden over het idee dat Aziaten geen democratie zouden willen. “Zum Teufel”, zegt hij - Chaiwat volgde een opleiding in Duitsland - “iedereen wil democratie, ook de Aziaten, er is geen verschil. De mensheid is als bladeren aan een mangoboom, allemaal verschillend maar met dezelfde stam.”

De Hongkongse professor Liu voorziet zelfs in de Volksrepubliek China een ontwikkeling naar democratie. “De Chinese filosofie zal in de nabije toekomst bestaan uit de confucianistische, de marxistische en de Westers-liberale traditie. Ik verwacht dat China steeds liberaler zal worden in plaats van steeds geslotener. Welke veranderingen er na de dood van sterke man Deng Xiaoping ook mogen plaatshebben, ze kunnen de huidige koers niet terugdraaien. Het enige gevaar dat ik zie is een te grote onafhankelijkheid van de provincies ten opzichte van het centrum. China kan ook uit elkaar vallen, je weet het nooit.”

Liu levert felle kritiek op Singapore. “Het is stabiel en welvarend maar de ironie ontbreekt er. Vraag een Amerikaan waar hij van droomt en het antwoord zal zijn: geen geweld, veiligheid, schone lucht en een eigen huis, dat is dus Singapore, maar als je dan naar Singapore gaat dan blijkt hoe saai dat een land maakt. De Taiwanese president Lee Teng-hui bracht eens een bezoek aan Singapore en hij zei dat de Singaporezen veel minder initiatief namen dan de Taiwanezen. Ook al hebben ze beiden een Chinese achtergrond, de uitkomst is verschillend. De Singaporese overheid trekt haar mensen voort en dat gebeurt niet in Taiwan.”

Nijverheid

Aanvankelijk namen de Oostaziatische landen het Westers industrie-kapitalisme over en begonnen zij aan een inhaalrace. Het ene land in een vroeg stadium (Japan), andere landen in de jaren zestig (Zuid-Korea, Hongkong, Taiwan, Singapore). En de laatste groep gedurende de afgelopen vijftien jaar (Thailand, Indonesië, Maleisië, China). Op industrieel terrein werd vooral gekopieerd, en democratie kwam nauwelijks tot ontwikkeling.

Eind jaren tachtig haalden de Aziatische landen het Westen al bijna in - technologische innovatie leidde tot de ontwikkeling van eigen produkten en eigen nijverheid. Toen ontplooiden zich ook voorzichtig, democratieën naar Westers model, in Taiwan en Zuid-Korea. Japan kreeg meteen na de oorlog de democratie opgedrongen van de Amerikanen.

De laatste fase, waarin het Verre Oosten de leidende economische macht van de wereld kan worden, breekt nu aan. Na Japan komen ook Hongkong, Taiwan, Singapore en Zuid-Korea met reuzenschreden op het Westen af. Hongkong passeerde vorig jaar Nederland op de lijst van exporterende landen. De kroonkolonie (6 miljoen inwoners) staat nu op de achtste plaats, met een uitvoer van 135 miljard dollar, Nederland op negen (134 miljard). Samen met Japan (361 miljard) komt Hongkong op een exportwaarde die door geen enkel Westers land wordt gehaald, ook de VS niet (465 miljard).

In koopkrachttermen is het bruto nationaal produkt van Oost-Azië nu groter dan dat van de Verenigde Staten of de Europese Unie. En als de groeiverschillen tussen de drie gebieden zo groot blijven zal Oost-Azië over tien jaar een grotere economie hebben dan de VS en de EU samen.

Op politiek gebied zijn de vooruitzichten minder helder. Singapore's sterke man Lee Kuan Yew, een etnische Chinees, schept graag op over “vijfduizend jaar Chinese geschiedenis” als bindend element van de confucianistische wereld. En Mohammed Mahathir, al sinds jaar en dag premier van Maleisië, heeft droombeelden over een groot Oostaziatisch blok. Maar dat lijkt een ver en onbereikbaar ideaal. Buiten de los georganiseerde ASEAN, de Associatie van Zuidoostaziatische Naties van Maleisië, Indonesië, Singapore, Thailand, Brunei en de Filippijnen ontmoeten de Oostaziatische landen elkaar nauwelijks.

En over de problemen en de mogelijke toekomstige bedreigingen van de Aziatische welvaart praten Lee en Mahathir liever niet - de etnische en regionale tegenstellingen, bijvoorbeeld. De meeste Oostaziatische naties (Japan en China uitgezonderd) kennen verschillende bevolkingsgroepen en hebben vrijwel allemaal een verleden van etnische conflicten. Indonesië is een amalgaam van volkeren en groeperingen, dat met de ijzeren knoet van de Javanen bij elkaar wordt gehouden - maar is dat voor altijd? In Maleisië houden Chinezen en Maleiers elkaar in evenwicht, met de Indiërs als grote minderheid. De laatste etnische conflicten stammen uit de jaren zeventig, maar oud zeer bestaat er nog wel degelijk.

China wordt weliswaar voor 90 procent door Han-chinezen bevolkt, maar de etnische en religieuze conflicten zijn niettemin explosief van karakter. De moslims zorgen in het noordwesten van de Volksrepubliek voor onrust, terwijl zuidelijker het bezette Tibet een potentieel kruitvat is. Opstandige groeperingen en bewegingen zullen politieke veranderingen in de Volksrepubliek, aangrijpen voor hun zaak. Deng Xiaoping is bijna 90 - een verandering van leiderschap is in de Chinese geschiedenis vrijwel nooit ongerimpeld verlopen.

Schaamte

Er zijn ook externe tegenstellingen in Oost-Azië, met name tussen Japan en de andere landen. In enkele belangrijke Aziatische samenlevingen, met name de Chinese en de Koreaanse, is de haat tegen de Japanners diepgeworteld. De intensieve economische samenwerking met de Japanners kan dat niet wegnemen. Pas enkele jaren geleden deden de zogenoemde 'troostmeisjes' in Zuid-Korea van zich spreken. Vrouwen die in de Tweede Wereldoorlog dienst deden als seksslavinnen van het Japanse keizerlijke leger. Decennialang hadden ze uit schaamte gezwegen, maar nu keren de inmiddels bejaarde vrouwen, hartstochtelijk gesteund door de Koreaanse publieke opinie, zich ongemeen fel tegen Japan. In China is de argwaan ten aanzien van Japan zeker niet minder.

De onderhuidse animositeit zou kunnen leiden tot een nieuwe oorlog tussen Japan en zijn buren, ergens in de volgende eeuw, opperde de Nederlandse sinoloog professor K. Schipper. Maar Sir David Akers-Jones (66), voormalig bestuurder van Hongkong, is een andere mening toegedaan: “China en Japan hebben meer te winnen bij samenwerking dan bij confrontatie. De geschiedenis zal wel nooit worden vergeten. Maar dat geldt ook in Europa, op de Balkan, in Ierland. De Japanners zien zichzelf als volk nummer een, en dat doen de Chinezen ook. Maar wat de Japanners nu vooral zien is de enorme markt en het arbeidspotentieel aan de overkant van de Gele Zee.”

Het is onvermijdelijk dat Oost-Azië de groeistuipen van de economie moet zien te verwerken: verkeerschaos en milieuverontreiniging. De Thaise hoofdstad Bangkok kampt met enorme verkeersopstoppingen en is zeer zwaar vervuild. Als Thailand daar geen oplossing voor vindt zal dit op den duur onherroepelijk de groei vertragen. Zijn de Aziatische groeilanden psychologisch ook wel bestand tegen eventuele economische crises? In Thailand sprak men al van een 'crisis' toen begin jaren negentig de groei onder de tien procent per jaar zakte. En de recessie die Japan momenteel in zijn greep heeft, sloeg de burgers met verbijstering. Negatieve groei - de Japanners hadden nooit gedacht dat hun dat zou overkomen.

Als Sir David Akers-Jones gelijk krijgt zullen de Oostaziaten hun gemeenschappelijke belangen onder ogen zien en in toenemende mate met elkaar samenwerken. Moet het Westen dan het Oosten, met de 1,2 miljard Chinezen voorop, gaan vrezen - ontstaat er een nieuw 'geel gevaar'? Akers-Jones: “China is een groeiende macht in de regio en de wereld. Dat kan niet worden veronachtzaamd. Deze hele regio wordt een economische macht in de wereld en daar komt politieke macht achter vandaan. De Amerikaanse leiders beseffen dit heel goed. China zal bovendien meer en meer voor zichzelf kunnen zorgen, net zoals Japan heeft gedaan”.

William Overholt, bankier en auteur van het onlangs verschenen boek 'China, de reus ontwaakt', verwacht geen militaire bedreiging. “Er zal zeker een nauwere samenwerking komen in de regio. De economische integratie van China en Hongkong is al bijna voltooid; die met Taiwan gaat langzamer, maar zal volgen. Bij de Chinese gemeenschappen elders heerst een zekere trots dat het oude moederland herleeft en er is een verlangen om dat te vergemakkelijken. Lee Kuan Yew reist naar Peking als adviseur, emigranten gaan terug naar hun dorpen van afkomst. Maar er is geen militaire component, het Chinese leger wordt niet versterkt. Het enige politieke doel is het herwinnen van prestige.” Oost-Azië streeft naar welvaart, naar prestige, naar vooruitgang - volgens het ideaal van de Maleisische premier Mahathir - naar een “Aziatische renaissance”.