Tsjechie; Het botert niet tussen staat en rk-kerk in Tsjechië

PRAAG, 11 JUNI. Het zit nog steeds niet lekker in de verhouding tussen de Tsjechische staat en de rooms-katholieke kerk. Sinds Jan Hus, de Tsjechische kerkhervormer en het symbool bij uitstek van de strijd voor nationale onafhankelijkheid, op 6 juli 1415 werd verbrand nadat het concilie van Konstanz hem schuldig had bevonden aan ketterij, zijn er altijd wrijvingen blijven bestaan. Om het zacht uit te drukken.

Tijdens zijn bezoek in 1990 aan het toenmalige Tsjechoslowakije heeft paus Johannes Paulus II weliswaar de “integriteit” van Hus erkend, maar tot een expliciete rehabilitatie is het nooit gekomen. Anti-katholieke sentimenten spelen in de Tsjechische politiek op de achtergrond dan ook een niet altijd duidelijk uitgesproken, maar wel onmiskenbare rol.

Dat is bijvoorbeeld te merken aan de zich nog steeds voortslepende discussie over de restitutie van kerkelijke bezittingen in het Tsjechische kabinet. Het gaat daarbij niet om de kerken zelf, die zijn wel teruggegeven, maar meer om de uitgebreide bezittingen aan landerijen, bospercelen en onroerende goederen die in 1948 door de communistische machthebbers zijn geconfisqueerd.

De dominerende partij in de coalitie, de ODS van premier Klaus, wil dat bij de beslissing of een object al of niet zal worden teruggegeven het huidige gebruik wordt meegewogen. De twee christendemocratische coalitiepartners vinden echter dat dat geen rol mag spelen. Klaus weet zich echter gesteund door de publieke opinie in het land: de meeste Tsjechen, die in het algemeen toch al een vrij lauwe houding tegenover het geloof hebben, vinden dat de eigendomstitels van vroegere kerkelijke bezittingen die een nuttige maatschappelijke bestemming hebben gekregen - veel gebouwen worden bijvoorbeeld door overheidsdiensten gebruikt - maar beter ongewijzigd kunnen blijven.

Potentieel is de katholieke kerk de rijkste instelling van het land: als alle eigendommen worden gerestitueerd zou ze de grootste grondbezitter zijn. De meeste Tsjechen vinden het niet stroken met de rol van de kerk om haar een dergelijke machtspositie terug te geven.

Intussen probeert de kerk er het beste van te maken en pikt een aardig graantje mee van de populariteit die Praag de afgelopen jaren heeft opgebouwd als cultuurcentrum van Midden-Europa. In het centrum van de hoofdstad is langzamerhand geen kerkportaal meer te vinden waar geen bord staat met de aankondiging: 'Concert'. Tsjechische organisten en andere muzikanten spoeden zich van hot naar haar om te kunnen voldoen aan de vraag van het muziekhongerige toeristenvolk dat graag bereid is daar flink voor te betalen.

De organist van de kerk van het wereldberoemde Strahov-klooster, Vladimír Roubal, is wel eens jaloers op zijn collega's. Hij is in vaste dienst bij de orde van de Benedictijnen die het klooster beheert en die vindt dat het klooster, vlak naast de burcht gelegen, al voldoende toeristen trekt. “Dagelijks”, vertelt broeder Evermod (39), de directeur van de bibliotheek van het Strahov-klooster, de grootste particuliere bibliotheek van het land, “komen hier zo'n 1500 mensen. Dat is natuurlijk goed voor de financiële situatie, maar we willen niet alleen een toeristische attractie zijn. We hebben met deze bibliotheek ook een wetenschappelijke functie.”

Veertig jaar lang heeft het werk aan de bibliotheek, waar zich 140.000 boeken, middeleeuwse handschriften, incunabelen en andere unieke exemplaren bevinden, stilgelegen: in 1950 werden de zeventig monniken van het klooster gevangen gezet, de bibliotheek werd gebombardeerd tot 'museum van de Tsjechische literatuur'. Alleen de kerk bij het klooster mocht blijven functioneren.

Na 1989 werd het klooster weer in gebruik genomen. De orde heeft nu 59 leden, van wie er 27 in het klooster leven. De overigen houden zich met pastoraal werk in het land bezig. “Na de Fluwelen revolutie”, zegt broeder Evermod, van geboorte Slowaak, die in het burgerleven Gejza Šidlovsky heet, “werd er gezegd dat de kerk arm moet zijn, dat ze geen geld nodig heeft. Maar er moet hier niet alleen veel gecatalogiseerd worden, maar ook veel gerestaureerd. We hebben zes professionele bibliothecarissen in dienst, we beginnen de catalogus te computerisen. Dat moet allemaal door het klooster worden betaald en we hebben maar een te verwaarlozen bedrag aan overheidssubsidie.”

Het Strahov-klooster moet laveren tussen winstbejag en verantwoordelijkheidsgevoel. Noch de kerk, noch de net gerestaureerde theologische zaal van de bibliotheek kan door toeristen worden bezocht: ze kunnen er vanachter een zwaar metalen hek alleen een blik in slaan. Wie de kerk wil zien moet de mis bijwonen.

“Vroeger waren er geen toeristen”, zegt broeder Evermod, “maar nu moeten we de vochtigheidsgraad nauwlettend in de gaten houden. We hebben het geld hard nodig, maar onze eerste zorg is om de kerk, het klooster en zijn bibliotheek voor de volgende generaties te redden.”