Tegen de muur praten (3)

Toevallig zag ik een deel uit het laatste vraaggesprek met de toneelschrijver Dennis Potter. Hij wist dat hij, 59 jaar wat niet oud is, binnenkort zou sterven aan kanker; hij was nog in de conditie die het hem veroorloofde op de televisie te verschijnen. Een buitengewoon vriendelijke man; minzaam tegenover zijn ondervrager wie hij uitlegde wat het verschil is tussen iemand die er theoretisch van op de hoogte is dat hij zal sterven, en de ander die weet dat de praktijk niet lang meer valt uit te stellen. Het verschil tussen degene wie het theoretisch bekend is, en de andere die het weet is dat eerstgenoemde 'toch' altijd denkt en handelt alsof hij het eeuwig leven heeft. Daar kwam het op neer. Potter is intussen gestorven. Het was alsof hij het verschil tussen theoretisch op de hoogte zijn en praktisch weten nog eens postuum bewees: hij sprak al tot het publiek 'van de overkant van het graf'.

De volgende ochtend stond ik, uit de tram gestapt, onverwacht oog in oog met de grote foto van een jongeman, een affiche waarop hij liet weten: IK GA DOOD. Ik schrok en keek nog eens goed naar het gezicht. Niet vrolijk maar ook niet triest; eerder met een versluierde monterheid. De oogopslag van iemand die nog weleens naar de disco wil. Hoe merkwaardig anders zijn we geconditioneerd geraakt. Door dit geheel veronderstelde ik dat hij aids had en dat via dit affiche een beroep werd gedaan op onze voorzichtigheid en vrijgevigheid. Het leek me een paardemiddel om het zo aan te pakken, maar de tijden veranderen, zonder het paardemiddel kom je nergens meer. Het doel heiligt. In een onderschrift liet hij weten dat hij bereid was zijn 'verhaal' te vertellen en helemaal onderaan stond nog een mededeling. Daaruit bleek dat ik de reclame van een begrafenisondernemer aan het bestuderen was.

In Erik of het klein insectenboek van Godfried Bomans komt een kever voor, de doodgraver, die de held vraagt of hij al neiging heeft op zijn rug te gaan liggen met zijn pootjes naar boven. Dit insect hoort tot het nuttig geslacht van de necrophorus. Bomans vertelt dat deze kever alle wezens die hij tegenkomt altijd dezelfde vraag stelt en daarbij een uitnodigend gezicht trekt. In het standaardwerk van H. von Lengeren, Die Brutfürsorge und Brutpflegeinstinkte der Käfer (1939), lezen we: “De kevers begraven de lijken van kleine dieren. Meestal zijn verscheidene paren bezig aan één lijk, waar zij de aarde onder uit graven zodat het kadaver langzaam naar beneden zakt. Door de laatste achterlijfsegmenten tegen de achterkant van de dekschilden te wrijven kunnen zij een sjirpend-muzikaal geluid voortbrengen. Bij de paren is echter geen sprake van samenwerking: op den duur blijft slechts één paar meester van het terrein.”

De jongeman van het affiche wiens naam ik niet zal noemen, had op zijn reclame een nul-zes nummer achtergelaten. 06: het kan aan mij liggen maar ik vind dat zo'n nummer ook al iets bedenkelijks heeft. Ik heb me over mijn aarzeling heengezet en daar kreeg ik na twee dames, voor drie kwartjes per minuut de sterveling zelf aan de telefoon. Op een bandje vertrouwt hij iedereen die het weten wil toe dat hij van zijn begrafenis een feest wil maken, een 'eindfeest' waaraan iedereen met plezier zal terugdenken. Ik kreeg de indruk dat de necrophorus die dit allemaal zou organiseren nog geld toe wilde geven als ik wilde meewerken om hem meester van het terrein te laten blijven. Terwijl ik naar de stem luisterde die me op ingetogen toon de tekst van de copywriter voorlas, zag ik mezelf al, begeleid door het gesjirp van mijn keuze langzaam zakken.

Een poosje geleden waren de muren beplakt met affiches van de United Colours of Benetton. In mijn onnozelheid heb ik toen ook nog even gedacht dat het om een menslievende organisatie ging, een soort Artsen zonder grenzen. Benetton heeft ons een zeevogel laten zien die aan het sterven was in de stookolie, en het shirt vol bloedvlekken van iemand die in de Joegoslavische oorlog was doodgeschoten. Alle reden dus om me te vergissen. Nu weet ik dat Benetton een kleermaker is van wie je zeker kunt zijn (vergif op innemen), dat hij je een pak van de laatste mode verkoopt. Wat hebben we daarna ook weer gekregen? Die campagne waarmee de tabaksfabrikanten de voorbijgangers proberen wijs te maken dat 'alles bespreekbaar' is. Allemaal nep, maar niet van de gewone soort, niet de doorzichtige, niet de regelrechte, maar een nep waarbij je onder begeleiding van een stroperig spelend orkestje, onder het schijnsel van een fondantkleurig dwaallicht, langs een omweg naar de kassa wordt geleid.

En nu het merkwaardige. Het is niet alleen stroop en fondant; het is ook grof. Het legt verband tussen zaken waar we dat verband niet willen - of ik in ieder geval hou daar niet van. Begraven, het valt niet te ontlopen, maar het is geen 'eindfeest' waarmee de ene kraai de andere de loef probeert af te steken. Een bloedvlek van iemand die is vermoord en een eendekop besmeurd met stookolie hebben niets te maken met een pak waarin je op je paasbest tevoorschijn wilt komen. Voor niet-rokers is de brandende sigaret van iemand anders stank en straf.

Benetton, de tabaksindustrie en nu deze necrophorus nodigen door hun campagnes van dergelijke signatuur uit tot tegenspraak. Ik heb er een paar stukjes over geschreven: Tegen de muur praten, 1 en 2. Ik besef dat ik in een gelukkige positie ben want ik kan er in de krant over schrijven.

De lezer van de krant wie iets niet bevalt kan een brief sturen die, wie weet, ook nog wordt afgedrukt, en als dat niet gebeurt wordt hij in ieder geval gelezen. Reclame aan de muur is veel meer éénrichtingsverkeer. Wat moet je terugzeggen tegen een affiche dat je niet toespreekt maar vals aangrijnst? Dit, bij deze.