Schaken

Als er een club van 'Judith Polgar-verliezers' bestaat (wat Hans Ree ons in zijn rubriek van 21 mei wil doen geloven) dan verschilt die toch fundamenteel van de 'Menchik-club'.

Van die laatste club, genoemd naar de herfst 1944 te Londen bij een V2-aanval overleden schaakster Vera Stevenson-Menchik, heette Euwe 'erevoorzitter' (twee verliespartijen) te zijn. Bob Spaak en Max Euwe zelf schrijven in 'Meneer Caïssa' (De Bezige Bij 1955) smakelijk over deze fictieve, want door de pers bedachte, 'Menchik-club'. Lid werd men volgens Ree bij een verliespartij maar in werkelijkheid al bij een remise. Dat de club toch een exclusief karakter hield kwam door Vera's 'Timman-kwaal': door haar optimistische, agressieve schaakstijl verloor ze vaak onnodig. Bij sterk bezette grote internationale toernooien (Karlsbad 1929, Moskou 1935) eindigde ze niet zozeer 'in de laatste helft' maar muurvast op de laatste plaats. Als een handvol zwakke Spanjaarden het veld completeerden (Barcelona 1929) hield ze die echter wel achter zich. Maar hoe zat dat dan met het door Ree vermelde, door haar zo succesvol gespeelde Ramsgate-toernooi van 1929? Dat nu was meer een teamwedstrijd dan een toernooi. Zeven Engelse schakers speelden elk een partij tegen de 'buitenlanders' Capablanca, Rubinstein, Koltanowski, Maroczy, Soultanbeieff, Znosko Borowski en 'Miss Menchik'. Tweede, op een 1/2 punt achter Capablanca - die zelf haar nooit zelfs maar een remise toestond - was dus haar (fraaie) 'teamresultaat'. Kennelijk overspeelden de zwakkere Engelsen juist tegen haar hun stelling en werden zo ongewild lid van de 'club'. De 'Polgar Club', dàt ligt heel anders.