Priesterwoede

Jacob Haafner: Verhandeling over het nut der zendelingen en zendelings-genootschappen. Bezorgd en van een inleiding voorzien door J.A. de Moor en P.G.E.I.J. van der Velde

159 blz., geïll, Verloren 1993, ƒ 30,-

Eind november 1803 schreef het Teylers Godgeleerd Genootschap te Haarlem een prijsvraag uit. Men diende een verhandeling te vervaardigen over de vraag 'welke dienst hebben de zendelingen in de twee jongst verloopene eeuwen aan de voortplanting des waren Christendoms gedaan, en welke eene vrucht heeft men van de tegenwoordige werkzame Zendings-genootschappen ten dezen opzigte te wachten?' De verhandeling moest voor 8 april 1805 worden ingeleverd, maar al op 30 november 1804 kwam er een manuscript binnen van 195 pagina's. Dit bleek naderhand de enige inzending te zijn. Onvermijdelijk was toen om die inzending te bekronen en dat werd dan ook op 9 april 1805 in de Haarlemsche Courant bekendgemaakt. De prijswinnaar was Jacob Haafner. Zijn inzending verscheen in juni of juli 1807 als deel 22 van de Verhandelingen van Teylers Genootschap. Niet echter dan nadat Haafner, op last van de directeuren van het genootschap, zijn scherpste uitlatingen wat had afgezwakt.

Jacob Haafner werd in 1754 te Halle in Duitsland geboren, kwam met zijn ouders in 1765 naar Amsterdam, vertrok met zijn vader in 1766 naar de Oost. Kort voor aankomst in Kaapstad stierf de vader van Haafner en de jongen van twaalf bleef alleen achter. Hij werd in een pleeggezin opgenomen. In 1770 keerde hij terug naar Amsterdam, maar het jaar daarop vertrok hij naar Batavia. Via ons Indië kwam hij terecht in Brits-Indië. Hij verbleef jaren op de kust van Coromandel in Oost-India, reisde in India en Ceylon en keerde in 1787 naar Nederland terug. Hij had wat spaargeld belegd, maar de beleggingen werden steeds minder waard. Daarom probeerde hij als vertaler wat te verdienen, later ook als publicist. In 1806 verscheen zijn eerste reisverhaal, in 1807 zijn bekroonde verhandeling over de zending en in 1809 overleed hij. Na zijn dood gaf zijn zoon veel werk van zijn vader uit. Het verzameld werk van Haafner wordt op het ogenblik uitgegeven door de Linschoten Vereeniging; het eerste deel daarvan verscheen in 1992, deel 2 staat op stapel.

Haafner had dus met eigen ogen in de Kaapkolonie, in Indonesië en in India, zendelingen aan het werk gezien. Zijn oordeel over de zending is vernietigend. Hij zag in dat zending cultuurvernietiging impliceert, en een ongeoorloofde inbreuk is op andere godsdienstige overtuigingen.

In het eerste hoofdstuk van zijn essay behandelt Haafner de zending onder de Hottentotten. In de jaren dat hij in de Kaapkolonie vertoefde, had hij deze mensen leren kennen, en had hij zelfs een oogje laten vallen op een Hottentots meisje. Hij wist dus waar hij over schreef toen hij de zending onder de Hottentotten als een hopeloze opgave kwalificeerde. Maar Haafner heeft niet alleen vernietigend beoordeeld wat hij met eigen ogen aan zendingsijver en zendingsmisdaad aanschouwde. In zijn tweede hoofdstuk schrijft hij echter over de negerslaven in Amerika. Daar wist hij veel minder van, maar hartverkwikkend is de wijze waarop hij tekeer gaat tegen de slavernij, tegen het vangen van negerslaven in Afrika en tegen het overbrengen van de ongelukkigen naar Amerika. Volgens Haafner is het onmogelijk om negers en negerslaven te bekeren.

In het derde hoofdstuk behandelt Haafner de zending onder de Indianen in Amerika. Ook daarover kon hij niet oordelen op grond van eigen ervaringen, maar het vierde hoofdstuk, over de zending onder de Hindoes, baseerde hij wel op eigen ervaring. En van de zending in China en Japan wist hij genoeg om er een schril beeld van te geven.

Omdat Haafner onze beste schrijver was voor Multatuli, en als stilist en polemist in menig opzicht vooruit loopt op Douwes Dekker (die Haafner kende en waardeerde), is deze verhandeling ook nu nog een genot om te lezen. Of genot: het is erg genoeg wat Haafner allemaal opsomt aan misdaad, uit naam van het Evangelie bedreven, maar hij verwoordt het zo emotioneel en zo fel dat je menigmaal moet lachen. “In brandende onverduldigheid ijlden de Spanjaarden over de oceaan naar Amerika, als naar een algemene prooi, en welhaast braakten de schepen hunne ladingen uit, en moordende roovers, met blind-ijverende monniken, betraden de vreedzame oevers. Gelijk wolven, die door een razenden honger uit het gebergte in de valleije gedreven, op eene kudde schapen aanvallen, zoo vielen zij onverwacht op deze onschuldige volken. Schrik en verwoesting, moord, roof en priester-woede, verzelden hunne schreden, en verspreidden zich over het gansche land.” Haafner maakt geen onderscheid tussen kolonisatie en evangelisatie. “Met een crucifix in de ééne, en het zwaard in de andere hand, vielen zij op de verschrikte mensen aan, en hielpen hen afmaken.”

In zijn laatste hoofdstuk vat Haafner zijn bezwaren tegen de zending nog eens samen. De roomse zendelingen verwijt hij 'woedende religie-ijver' en hij zegt van hen dat “het grootste gedeelte der tegenwoordige zendelingen van deze geloofsbelijdenisse, door hun onwaardig en losbandig gedrag, dien nog gestadig onteert”. De protestantse zendelingen verwijt hij ”hunne onkunde in de zeden, gewoonten en godsdienst der volken, die zij willen bekeeren, hun vooroordeel tegenal wat heiden is, hunne dweepachtige religie-ijver, hun onophoudelijk bidden en zingen, hunne ongevoeligheid en onverschilligheid omtrent het tijdelijke lot van hunne bekeerlingen, hunne schrikpredikatiën, en bedreigingen met hel, duivel en verdoemenis”.