Pavel Soedoplatov (1907); Stalinist, moordenaar, gangster, saboteur

Pavel and Anatoli Sudoplatov with Jerrold L. and Leona P. Schecter: Special Tasks. The Memoirs of an Unwanted Witness - A Soviet Spymaster xxii + 509 blz., geïll., Little, Brown and Company 1994, ƒ 56,65

Toen Pavel Soedoplatov in de jaren dertig door Stalin werd aangewezen om zijn tegenstanders uit de weg te ruimen, diende hij door de aard van zijn werk in de schaduw te blijven. Na de dood van zijn opdrachtgever moest hij vijftien jaar opknappen en ook na zijn vrijlating zat er voor hem geen publiciteit in. Het is ironisch dat de gewezen luitenant-generaal van de Sovjet-staatsveiligheidsdienst eerst na de val van het communisme werd gerehabiliteerd en de kans kreeg met zijn heldendaden voor de dag te komen en zichzelf te rechtvaardigen.

Niet minder ironisch is dat hij daarvoor een beroep moest doen op de ideologische vijand, tegen wie zijn criminele acties juist gericht waren. In zijn eentje was de 87-jarige Soedoplatov niet meer in staat zijn memoires op schrift te stellen. Behalve van zijn zoon Anatoli kreeg hij de hulp van de Amerikaanse beroeps-editors Jerrold en Leona Schecter. Zij werkten vele uren durende vraaggesprekken, vastgelegd op video, uit tot een boek volgens de Westerse bestseller-formule. De uitgever was bereid alleen al voor het hoofdstuk over atoomspionage 850.000 dollar neer te tellen.

Het verschijnen van Special Tasks is inderdaad een spectaculaire gebeurtenis, want aan inside information over Stalins moordacties heeft het tot nu toe ontbroken. Maar bij het lezen rijst onvermijdelijk de vraag wat afkomstig is van Soedoplatov zelf en wat het resultaat van ongetwijfeld krachtige bewerking. In de Amerikaanse pers heeft het genoemde hoofdstuk over atoomspionage al veel stof doen opwaaien. Soedoplatov beschuldigt te goeder naam en faam bekend staande geleerden als Robert Oppenheimer, Enrico Fermi, Leo Szilard en Niels Bohr ervan de Sovjet-inlichtingendienst geheime informatie over het Manhattan Project voor de ontwikkeling van een Amerikaanse atoombom te hebben toegespeeld.

Deze beweringen zijn zwak gedocumenteerd en Amerikaanse kenners hebben al talloze argumenten naar voren gebracht die de geloofwaardigheid ervan ondermijnen. Soedoplatov is voor het merendeel van deze informatie ook geen eersterangs-bron, want zij betreft vooral de jaren 1941-1943, terwijl hij pas in 1944 direct met de atoomspionage te maken kreeg. Je krijgt de indruk dat de redacteuren, in plaats van Soedoplatovs beweringen op hun betrouwbaarheid te controleren, ze met het oog op het Westerse lezerspubliek juist hebben opgeblazen.

Jalta

Soedoplatov stond aan het hoofd van de Afdeling voor Speciale Taken (vandaar de titel), die zich bezighield met sabotage en het kidnappen en vermoorden van vijanden van het Sovjet-regime in het buitenland. Hij infiltreerde in de Oekraïense nationalistische emigrantenbeweging, organiseerde de moord op Trotski en leidde de guerrilla tegen de Duitse bezetters in de Tweede Wereldoorlog. Op de conferentie van Jalta maakte Stalin gebruik van zijn voorbereidende inlichtingenwerk. Na het uitbreken van de Koude Oorlog waren zijn sabotage-activiteiten gericht tegen de NAVO. Hij verleende zijn diensten bij de communistische machtsovername in Letland (1940) en Tsjechoslowakije (1948) en bij de onderdrukking van het naoorlogse nationalistische verzet in de Oekraïne. Eind jaren veertig, begin jaren vijftig onderhield hij voor de Sovjet-leiding het contact met de Koerdische opstandelingenleider Barzani om zo de Westerse invloed in het Midden-Oosten te ondermijnen.

Na de val van zijn chef Beria in 1953 werd hij gearresteerd en op harde wijze ondervraagd. Doordat hij systematisch weigerde iets te zeggen, wist men geen 'bekentenis' uit hem te persen dat hij met Beria tegen de andere Sovjet-leiders had samengespannen. Zo ontliep hij de doodstraf, maar hij kreeg wel vijftien jaar. Het Sovjet-regime beloonde zijn trouwe dienaren slecht. “Ik was zowel instrument als slachtoffer van het systeem”, vat hij zijn rol samen.

Special Tasks is het sterkst waar Soedoplatov duidelijk zelf aan het woord is over zijn eigen belevenissen. Zijn eerste liquidatie verrichtte hij zesenvijftig jaar geleden in Rotterdam in opdracht van Stalin persoonlijk. Op 23 mei 1938 blies hij op de Coolsingel eigenhandig de Oekraïense emigrantenleider Jevhen Konovalets op. De Rotterdamse politie heeft de zaak nooit weten op te lossen, maar wie de dader was staat nu dus vast. Soedoplatov ruimt in zijn memoires nog een onduidelijkheid uit de weg. Bij het onderzoek hield men er destijds ernstig rekening mee dat de moordenaar ter plekke ondersteuning had gekregen van een door Joop Schaap geleide communistische mantelorganisatie, die de bom naar Rotterdam zou hebben getransporteerd. Maar Soedoplatov schrijft nu dat de bom, verpakt in een doos bonbons, hem op het schip waarmee hij naar Rotterdam voer ter hand was gesteld door een Russische technicus. Overigens is hij in zijn herinneringen ten onrechte trots dat bij de explosie geen onschuldigen werden getroffen, want er waren twee gewonden.

Hij rechtvaardigt de actie met de stelling dat Konovalets in oorlog was met de Sovjet-Unie en daarbij werd gesteund door Hitler. De twee zouden elkaar twee keer hebben ontmoet, waarbij Hitler aanbood enkele Oekraïense nationalisten op te leiden aan de nazi-partijschool in Leipzig. Eén van hen was Soedoplatov, die toen al in de Oekraïense emigrantenorganisatie was geïnfiltreerd; hij bezocht de school in 1935 drie maanden. Hier put hij uit eigen ervaring en tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben de Oekraïense nationalisten inderdaad gecollaboreerd, maar overigens zijn er geen harde bewijzen dat er werkelijk van dit soort directe contacten met Hitler zijn geweest.

Kirov

Lang niet alles wat Soedoplatov schrijft moet als waar worden geaccepteerd; dat heeft ook de Russische inlichtingendienst direct na het verschijnen van de memoires officieel bevestigd. Zij bevatten een mengsel van feiten, halve waarheden en verzinsels, aldus het persbureau van de dienst. Zo zegt Soedoplatov dat achter de moord op de Leningradse partijchef Sergej Kirov in december 1934 niets anders zat dan een persoonlijke wraakneming om een vrouw en dat Trotski's zoon Lev Sedov en de gevluchte geheim agent Walter Krivitski niet zijn vermoord. Maar het vermoeden dat Stalin en de geheime dienst toch bij deze zaken betrokken zijn geweest wordt daardoor niet uit de weg geruimd.

Daar staat tegenover dat we nu voor het eerst een compleet verslag hebben van de wijze waarop de moord op Trotski is georganiseerd en dat het bewijs is geleverd dat Stalin de opdrachtgever was. Een geplande aanslag op Hitler ging in 1943 niet door omdat Stalin vreesde dat diens opvolgers dan buiten de Sovjet-Unie om vrede met de Westerse geallieerden zouden sluiten, aldus Soedoplatov. Een beoogde aanslag op Tito werd door de dood van Stalin doorkruist. Het verhaal dat de Tsjechoslowaakse president Benes werd betaald en beïnvloed door Soedoplatovs dienst, moet hoogstwaarschijnlijk tot de desinformatie worden gerekend. Over Raoul Wallenberg, de Zweedse diplomaat die in Hongarije duizenden joden heeft gered, veronderstelt Soedoplatov - maar het is niet meer dan dat - dat de dienst hem in 1947 heeft geliquideerd na een mislukte poging hem te recruteren.

Soedoplatov kijkt met gemengde gevoelens op het Sovjet-verleden terug. Zijn gram wekt niet in de eerste plaats Stalin, maar diens opvolger en verguizer Chroesjtsjov. Die had zelf ook bloed aan zijn handen en de destalinisatiecampagne had vooral de vestiging en versterking van zijn eigen macht tot doel, aldus Soedoplatov. Uitvoerders als hijzelf moesten boeten en de daarbij gebruikte methoden waren geen haar beter dan de stalinistische. Vandaar dat Soedoplatov zich een 'slachtoffer van politieke repressie' noemt.

Zelf pleegde hij zulke repressie als soldaat in een gerechtvaardigde strijd: “De huidige moraal valt niet te rijmen met de wreedheid van de revolutie, de burgeroorlog en de machtsstrijd daarna. Stalin en Trotski bestreden elkaar en namen beiden hun toevlucht tot criminele methoden om hun doeleinden te bereiken. Het verschil was dat Trotski niet alleen Stalin maar ook de Sovjet-Unie bestreed. Het was een oorlog die moest uitlopen op een overwinning of de dood. Stalin kon Trotski niet behandelen als louter een schrijver van filosofische boeken; Trotski was een actieve vijand die moest worden vernietigd.”

Soedoplatov heeft geen afstand van Stalin genomen. Diens methoden wekken nu misschien afkeer, zegt hij, maar destijds leken ze noodzakelijk tegen de vijanden die de Sovjet-Unie omsingelden. De mensen die Stalin liet vermoorden stonden de vooruitgang in de weg. Ondanks hun misdaden maakten Stalin en Beria Rusland van een achterlijk agrarisch land tot een nucleaire supermogendheid. De misdaden van Chroesjtsjov waren even monsterlijk, maar met zijn strijd om de macht verzwakte hij de staat zeer. Het slechtst is Soedoplatov te spreken over Gorbatsjov: die werd niet minder gedreven door persoonlijke ambitie, maar liet de staat ineenstorten. Soedoplatovs late inzicht dat “de leiders hun eigenbelang boven de belangen van het volk en de Sovjet-staat plaatsten”, geldt dus meer de halve dan de hele tirannen.

Special Tasks, dat door Robert Conquest in zijn voorwoord met enige overdrijving de belangrijkste bron over het stalinisme sinds Chroesjtsjovs Geheime Rede uit 1956 wordt genoemd, is vooral interessant als portret van een stalinist in hart en nieren: een gangster en saboteur die zijn streken tot op de dag van vandaag niet heeft verloren.