Ontbonden in actoren

Dat deze zin ooit op papier gekomen is, dat komt omdat het verschil van mening eindelijk is bijgelegd.

Verschil van mening?

Niet bekend

Er zijn geleerden die beweren dat de wereld een tekst is die door hen spreekt (een beetje zoals dwepers die in tongen spreken en beweren dat hun geraas hun van God zelve is ingegeven). Inderdaad, de één schrijft dat waandenkbeeld klakkeloos van een ander over en in hun bijzondere geval is het dus waar. Voor plagiarissen en napraters is de wereld een tekst ('Ik kon er niets aan doen edelachtbare, de tekst drong zich aan mij op en voor ik het goed en wel in de gaten had stond mijn naam erboven en was het honorarium al op mijn giro overgemaakt' - Van wie is die tekst?).

Dat de wereld een tekst is geloof ik niet. Of beter, mede uit naam van mijn comité spreek ik dat tegen. Was er maar een tekst, dan zette ik die nu even aan, liet mijn scherm vollopen en seinde hem door naar de redactie-computer.

Maar dat comité, hoe zit het daarmee? Wie zitten daarin? En hoe kun je daar lid van worden? (En hoe kom je er in godsnaam weer uit?) Eerlijk gezegd weet ik daar zelf niet het fijne van. Sommige leden zijn met naam en toenaam bekend, ze zijn vrijwel constant aanwezig (het comité is soms tijdenlang in permanente zitting bijeen). Anderen blijken opeens present te zijn en blijven dan weer weg zonder zelfs maar bericht van afwezigheid te sturen. Een enkeling ken ik vaag van gezicht, van een anderling weet ik alleen de naam en een derdeling is mij volkomen onbekend, al blijft hij jarenlang hardnekkig doorhameren op dezelfde futiliteiten.

Het comité, dat blijft bijeen en bemoeit zich onophoudelijk met al mijn schrijfsels en bedenksels. Nu weet ik ook wel dat alleen een paranoïcus met zo'n comité komt aanzetten. Die komt er dan tenminste eerlijk voor uit. Ik kende een jongen (het was nog in de tijd van de Koude Oorlog) die een Wereldvredesplan in Dertien Punten had ontwikkeld. Hij had de gewoonte om op politieke vergaderingen onder de bestuurstafel te kruipen, stak af en toe zijn hoofd onder het groene laken uit en zwaaide met zijn Plan. Onder vrolijk gejoel van het publiek verschool hij zich dan weer achter het laken. Op een keer belde hij mij op en vertelde op fluistertoon dat de KGB en de CIA hem samen achternazaten vanwege zijn Plan, dat hen immers brodeloos zou maken (dat had hij goed gezien). 'Mark', zei ik, 'dat plan van jou moet wel heel belangrijk zijn, als zulke machtige instanties jou daarvoor dag en nacht achtervolgen.' Ja, zei hij. Zo is het ook, maar nu proberen ze me te liquideren. Het was te merken dat die gedachte hem weliswaar grote angst aanjoeg, maar hem ook wel tevreden stemde, want als hij er dan toch aan moest, dan tenminste voor iets wereldhistorisch.

Ook in mijn comité zitten niet de eersten de besten. Ik probeer een paar namen op papier te krijgen om te laten zien wie zich zoal in Nederland en in den vreemde met deze stukjes bemoeit, maar het wil blijkbaar niet lukken om ook maar van iemand toestemming tot publikatie te krijgen. (En, eerlijk gezegd, ik gun hun ook de eer niet om alom bekend te worden als de eigenlijke redacteurs van mijn oeuvre). Goed dan, één naam, van iemand die zich toch niet meer kan verdedigen: Tamar die zat erin, en ze blijkt van tijd tot tijd nog wel eens een zitting bij te wonen waarin ze dan overal doorheen praat en in de kortste keren het hele stuk overhoop haalt.

Zeg dat dan meteen, dat comité van jou is fantasie, of op zijn best een soort herinnering, want de doden praten er gewoon tussen de levenden door. Dat laatste is waar, niet lang geleden nog zat Norbert Elias hele alinea's door te krassen. Maar het comité bestaat, dat is echte werkelijkheid, want het werkt. Het werkt tegen, het werkt mee, maar het werkt, en dus bestaat het (zegt Karl Popper, die er overigens hoogst zelden verschijnt en ook dan niet veel heeft in te brengen).

Dat comité is niets meer of minder dan een psychische instantie. Maar met die woorden is veel minder gezegd dan in het voorgaande. De samenstelling en de werking van het comité zijn het resultaat van overdracht. Dat verzin ik niet, dat is bedacht door Sigmund Freud. Alleen al voor dat inzicht verdient Freud de onsterfelijkheid. En wanneer de maden die zich nu rond eten aan zijn nagedachtenis hem hebben afgekloven tot op het bot en hun laatste roddelronde is uitgespeeld, dan rest nog, bleek en droog, het skelet van zijn leer: mensen leven met elkaar in feite en in fantasie, in een actuele werkelijkheid èn in een virtuele werkelijkheid. Zij zijn onophoudelijk bezig over mensen die echt bestaan te fantaseren, ze herinneren zich iemand, veranderen of vergeten die herinnering, verwachten, vrezen en hopen van alles en nog wat van zo iemand, vervormen en vervalsen die medemens tot ze er eindelijk mee kunnen leven. En wat zij van die andere mensen maken dat vormt henzelf. Iemand wordt wie hij van anderen gemaakt heeft.

Zo, dat is ook weer opgelost, met permissie, en niet zonder verlof: mensen zijn de resultante van hun ervaringen met anderen, een mens is te ontbinden in actoren.

Maar als dat allemaal zo is, dan zit ik zelf ook in andermans comité en waar rond in iemand anders z'n overdracht. Ik leef een ongeweten geestesleven bij kennissen, collega's, studenten en lezers, rep mij van het ene comité naar het andere om mij onvermurwbaar en meedogenloos, sterkend of genadiglijk met andermans innerlijk leven te bemoeien. Daar merk ik niets van, overdag en in de actuele realiteit, maar terwijl het bij mij spookt, spook ik ondertussen voort bij anderen.

Als mensen willen weten wie ze eigenlijk zijn, dan moeten ze beginnen met de ledenlijst op te stellen, compleet met naam en functie, van hun innerlijk comité. Dan pas blijkt wie daar binnenin de dienst uitmaakt. En nu dit is opgeschreven, wordt dat nog veel erger. Let maar op.