Nigerianen zoenen het leven met voetballiefde

Waar komen de in Nederland acterende voetbaltalenten Finidi, Kanu, Iroha, Babangida en doelman Rufai vandaan? En wat is de rol van bondscoach Clemens Westerhof? Redacteur Guus van Holland reisde naar Lagos en ging op zoek naar het geheim van het Nigeriaanse voetbal. Hij sprak met coaches, voetballers en andere betrokkenen en zag goddelijke spelers in wedstrijden met veel chaos, spektakel en plezier op en rond het veld. Nigeria: een paradijs van opportunisten, waar voetbal van iedereen is.

Enge rode koppen hebben ze, de grote mannetjeshagedissen die behendig en snel in het struikgewas vluchten.

Het is zaterdagmiddag half vier in Lagos en erg warm. Ik ben drijfnat van het zweet. In de schaduw, op de stam van een omgevallen boom, zit een man dromerig voor zich uit te kijken. Eniwoke, mijn kleine Nigeriaanse vriend, spreekt hem aan. De man wijst op een schoolbord dat een paar meter van hem vandaan op een muur is gespijkerd, en mompelt wat in overstaanbaar Engels.

Ik zie dat Eniwoke verbaasd reageert. Hij wendt zich tot mij.

“De wedstrijd is uitgesteld. Er is nu een andere wedstrijd, uit de tweede divisie. Dat hebben ze vanmorgen veranderd. Gombe United, de tegenstander, kon niet op tijd hier zijn. Ze zijn donderdag vertrokken met de bus en met die slechte wegen in Nigeria duurt de reis lang. Vooral 's nachts. Want ze moeten aan een stuk door rijden”, zegt hij verontschuldigend.

“Hoeveel kilometer is dat dan, Gombe?”, vraag ik verontwaardigd.

“Vijftienhonderd, misschien tweeduizend”, antwoordt Eniwoke zonder een spier van zijn gezicht te vertrekken.

“Maar ze kunnen toch met het vliegtuig? Er is in de buurt van Gombe toch wel een vliegveld?”, vraag ik, terwijl ik me een beeld vorm van de vervoersproblemen in het immense land Nigeria.

“Een vliegreis is niet voor de club te betalen. Maar we kunnen ook naar deze wedstrijd gaan kijken, als je wilt. Of is de tweede divisie niet goed genoeg? Stationery Stores tegen NRC, Nigeria Railway Corporation”, probeert Eniwoke mijn teleurstelling te peilen.

Ik wil wel. Natuurlijk wil ik Nigeriaans voetbal zien.

Het is intussen bijna vier uur geworden. Mannen komen onder de bomen vandaan en verdringen zich voor een hek dat in de muur een gangetje ter breedte van een mensenlichaam afsluit. Het hek wordt geopend. De voorste mannen verheffen hun stem. Ze schreeuwen tegen een man achter een loket met tralies.

“Ze zijn het niet eens met de prijs. Vijftig naira (vijf gulden). Ze moeten dezelfde prijs betalen als voor een wedstrijd van de eerste divisie. Ze zijn aan het onderhandelen”, verklaart Eniwoke.

Ook mijn vriend moet onderhandelen. Hij zegt tegen de man achter de tralies dat we journalist zijn en toont onze perskaart.

“Laat hem maar betalen”, zegt de man in verstaanbaar Engels en hij wijst naar mij.

Eniwoke duwt me vooruit en zegt op beheerste toon tegen de man achter de tralies dat hij een bedrieger is.

De man schreeuwt wat terug, maar beduidt tenslotte met een vluchtig handgebaar dat we door kunnen lopen.

Het Onikan-stadion is groter dan ik aan de buitenkant vermoedde. Een hoofdtribune met in het midden een door zwaar hekwerk afgesloten vak. Dat is de eretribune. Mannen in traditionele, kleurige pyjamapakken en traditionele hoedjes op zitten onderuitgezakt in leren fauteuils. Boven hun hoofd aan het dak van de tribune hangen ventilatoren die draaien en voor een heel klein beetje wind zorgen.

Aan de overkant en aan de zijkanten van het stadion zijn staantribunes. De mensen zijn gaan zitten. Ze zijn bij elkaar gekropen in de schaduw van de bomen waarvan de takken over de tribune hangen. Naar schatting vierduizend mensen zijn naar het stadion gekomen. Het stadion kan vijftienduizend mensen bevatten, zegt Eniwoke Ibagere die voetbalverslaggever in Nigeria is.

Wij nemen plaats in het vak naast de eretribune, op gewone stoeltjes. Boven ons hoofd bewegen traag draaiende ventilatoren. Van verkoeling voel ik niets.

De wedstrijd biedt veel vermaak, getuige het gelach van de toeschouwers. Ze praten en lachen aan een stuk door. Zingen doet niemand. Sommigen schreeuwen, wat veel gelach veroorzaakt. Jongens in korte broeken en blote bovenlijven lopen op verzoek van toeschouwers de tribune op. Op hun hoofd dragen ze een tinnen schaal met zakjes en flesjes water die koel worden gehouden door ijsblokken. Andere jongens en meisjes venten koekjes, nootjes en sportkranten. Veel mensen lezen en praten met hun buurman over wat ze hebben gelezen. Wat op het veld gebeurt, is van ondergeschikt belang. Sommigen zwerven over de tribune om een praatje te maken.

Het veld is als een knollentuin. Hier en daar groeit gras. De bal kan niet rollen zonder te stuiteren. De voetballers schoppen de bal omhoog en hun medespelers hollen er achteraan. Veel hoogspringende voetballers, opvallend veel kopduels. Maar sportieve kopduels, ellebogen worden daarbij niet gebruikt.

“Nigeriaans voetbal is luchtbal”, verklaart Eniwoke.

De rechtsbuiten van de Stores valt uit de toon. Hij legt weleens de bal breed. Hij kijkt als hij een voorzet moet geven en heeft een dubbele schaar in huis. Hij overdrijft zijn acties niet. Zelden lijdt hij balverlies. De spits dribbelt als een circusartiest, schiet uit alle standen en wint alle kopduels. Het enige wat hij mist is medespelers. Hij ziet ze althans niet staan. Maar hij voetbalt als een god, tenminste goddelijk. Mijn god, wat een voetballer. Heeft nummer 9 een naam? Ach, wat doet het er toe in dit paradijs van opportunisten.

Er valt weinig lijn in het spel te bespeuren. Maar opvallend is de balvaardigheid van alle spelers. Speels wordt de bal met de voet uit de lucht geplukt en gecontroleerd. Ze kunnen hard en ver koppen. Een bal op de borst doodmaken is voor niemand een kunst. Maar de manier waarop ze het doen! Zo gemakkelijk en sierlijk. Aan uithoudingsvermogen hebben ze geen gebrek. Onvermoeibaar zijn ze. Voor de dikke scheidsrechter is het tempo duidelijk te hoog.

Plotseling ontstaat er opwinding. Een aanvaller van de Stores wordt op de rand van het strafschopgebied neergelegd. Vrije trap, beduidt de scheidsrechter. De spelonderbreking is voor de spelers van NRC aanleiding naar de zijlijn te lopen om wat te drinken. Intussen wordt de scheidsrechter belaagd door de Stores. Ze praten en gebaren. Als de NRC-spelers terugkeren, wijst de scheidsrechter naar de elfmeter-stip. Strafschop! Verbazing, opwinding en vechtpartijen op het veld. De mensen op de tribune lachen, ze lachen zich krom. Wat een plezier om zoveel onrecht.

Een man achter mij tikt me op de schouder. “De scheidsrechter zal wel betaald zijn.” Hij lacht en slaat zich op de knieen.

Het einde van de wedstrijd nadert. De Stores winnen. Niemand zingt, niemand is geergerd. De mensen verlaten pratend het stadion. Genoeg stof tot praten. Voetbal is van iedereen.

Segun Adenuga is een grote, brede man. Hij is trainer van de Stores.

“Kom maandagochtend om half tien naar de training. Dan heb ik alle tijd. Ik moet nu naar de president van de Stores. Hij verwacht me om me te felicteren”, legt hij breedlachend uit.

Om hem heen vallen spelers met bloot en nat bovenlijf elkaar in de armen. Dansend en springend lopen ze het veld af.

Maandagochtend regent het. Ophoudelijk plenst het water in loodrechte stralen op de grond. Straten veranderen in rivieren. Als dit een herhaling van de zondvloed is, dan is Nigeria ten dode opgeschreven.

Niet bekend

Car Wash. Have faith in God. Lees ik op een bord bij een pompstation.

Er zijn pompstations in brand gestoken. Daarbij zijn mensen omgekomen, vermelden de kranten. Beelden in het televisiejournaal tonen de immense chaos in de Nigeriaanse steden. De auto's die rijden - de meeste in zeer verouderde staat - puilen uit met mensen die een lift hebben gekregen. Vrachtauto's zijn afgeladen met mensen, evenals de autobussen. Mensen op de treeplank, mensen op het dak. De chauffeurs van het leger gele taxi's vragen woekerprijzen.

“Bring the money or take the bus.”

De wegen zijn bezaaid met auto's die stilstaan door benzinegebrek en duizenden mensen die auto's duwen of auto's tot stilstand dwingen om mee te kunnen rijden. In deze chaos valt de regen met bakken uit de hemel. Lagos is een zwembad vol krokodillen.

Van een voetbaltraining kan op deze dag geen sprake zijn.

De volgende dag blijkt de training van de Stores verhuisd. Het veld is in een modderpoel veranderd. De Stores hebben hun oefensessie verplaatst naar een veldje aan de rand van de stad. De trainer laat zijn spelers in de steek als hij ons ziet aankomen. Segun Andenuga is voetbalverslaggever. Maar sinds de club vorig jaar degradeerde en de trainer verdween, heeft hij de technische leiding van de Stores op zich genomen.

“Ik ben al 25 jaar een fanatieke supporter van de Stores. Het is altijd de populairste en de beste club van Nigeria geweest. Toen de Stores vorig jaar moesten degraderen, vond ik dat ik de club moest redden”, begint Andenuga zijn verhaal.

Hij vertelt over de geschiedenis van de Stores en hun heldendaden, hun kampioenschappen en hun bekertriomfen.

“U kent vast wel Peter Rufai, de beste keeper van Nigeria. Hij speelde ook voor de Stores. Een fijne jongen, een prachtige sportman.”

De spelers verlaten het trainingsveld. Ze wurmen zich zonder te douchen met z'n dertigen in een busje dat plaats biedt aan hooguit twintig mensen. Ze zitten bij elkaar op schoot of hangen uit de ramen. Ze roepen Andenuga. Want ze wachten op hem. Op het gele busje staat in sierlijke letters geschilderd The Flaming Flamengo's.

Andenuga ziet dat ik over zijn schouder heen naar het bonte busje kijk.

“Mijn selectie bestaat uit veertig spelers. Vorig jaar hadden we twee bussen. Maar er is geen geld meer. Vorig jaar zijn de spelers in staking gegaan omdat ze geen salaris kregen. Sponsors trokken zich terug, donaties van rijke supporters bleven uit. Daardoor misten we twee wedstrijden. De bond bestrafte de Stores en zette de club terug naar de tweede divisie. Geloof me, het is een nationale rel geweest. De Stores straffen, de populairste club van Nigeria! Alle spelers zijn vertrokken”, zegt hij met teleurstelling in zijn stem.

“Hij niet”, zegt Eniwoke, mijn trouwe collega. Hij wijst op een jongen die een paar meter verder onder een boom op de motorkap van een oude auto met een paar andere jongens zit te praten.

De trainer roept de jongen bij zich en neemt afscheid van ons.

“Edward Okoyomo!”, zegt Eniwoke. Nederig geeft de jongen mij een hand.

Hij vertelt waarom hij niet als alle anderen is weggegaan bij de Stores.

“Ik wilde wel. Ik kon in augustus naar Fortuna Keulen. Ik heb een videoband opgestuurd naar Duitsland. Maar ze wilden alleen middenvelders en aanvallers. Ik ben rechtsback. De transfer ging niet door.”

Ik vraag of hij altijd bij de Stores heeft gespeeld.

“Nee, ik kom uit Benin City, dat is 900 kilometer van Lagos. Twee jaar geleden ben ik door de Stores gevraagd. Ik kon 1.500 naira (175 gulden) per maand verdienen. Nu verdien ik nog niet de helft.”

Ik kijk naar zijn voetbalschoenen, die hij nog aan heeft. Ze zijn oud en versleten. Hij heeft zijn veters losgemaakt.

“Heb je altijd op voetbalschoenen gevoetbald?”, vraag ik schaamteloos. Want ik moet toch weten waar het geheim van het Nigeriaanse voetbal schuilt.

“Nee, iedere Nigeriaanse jongen voetbalt op blote voeten. Daar krijg je balgevoel van. Pas als je lid van een club wordt, krijg je schoenen. Er zijn clubs die je schoenen betalen. Maar de meeste clubs hebben geen geld. Dus moet je ervoor sparen. De meeste ouders hebben liever dat je gaat studeren. De kans is klein dat je als voetballer geld kan verdienen. Er zijn er zoveel die dat willen. En iedere jongen in Nigeria kan voetballen.”

Hij kijkt om. Zijn vrienden die onder een boom op zijn auto zitten, laten met sissende geluiden weten dat ze wachten.

“Ze willen met hem meerijden. Hij is de enige van de Stores die een auto heeft”, verklaart Eniwoke.

In de verschroeiende hitte blijven we achter en gaan we op zoek naar een taxi. Na enig onderhandelen zwaaien eindelijk de deuren van een taxi open. Ramen blijven dicht, omdat de chauffeur het wil. Hij bepaalt de temperatuur. Voor een oud huis worden we afgezet. Op de muren hangen spandoeken met opschriften die een eerbetoon vormen aan het Nigeriaanse elftal dat zojuist Afrikaans kampioen is geworden. Soldaten houden de wacht bij het hek en vragen naar onze bestemming. We zijn welkom. We betreden een bouwval en lopen een kamer binnen, waarin volgens de tekst op de deur de perschef van de Nigeriaanse voetbalbond kantoor houdt.

De luiken voor de ramen zijn gesloten in een poging de warmte buiten te houden. Het is donker en warm in de kamer die niet groter is dan vier bij twee meter. In leren fauteuils hangen mannen met schrijfblokjes op hun schoot. Achter in de kamer zit een logge man die zijn benen tussen een paar stapels kranten op een bureau heeft gelegd. Hij draagt zwarte sandalen.

“De electriciteit is uitgevallen. Daardoor brandt het licht niet”, zegt Eniwoke, nadat hij de man achter het bureau met een paar onverstaanbare woorden heeft begroet.

“Hij heeft vanmorgen de bondscoach in Nederland aan de telefoon gehad. Hij kan ons nu de opstelling van het Nigeriaanse elftal geven.”

De man zucht en kreunt. Hij noemt wat namen en schopt de telefoon van het bureau. Hij is kwaad, loopt de broeierige kamer uit en schreeuwt wat tegen een vrouw die in een hoek is weggedut. De vrouw geeft geen reactie.

Als we weer buiten zijn, houdt Eniwoke een taxi aan. De chauffeur schudt zijn hoofd, evenals de volgende. De reis zal ver zijn, ver buiten de stad, naar het hotel waar de Nigeriaanse selectie onder 21 jaar in trainingskamp verblijft. We rijden door sloppenwijken, waar jongetjes op sandalen voetballen met een colablikje. Ik zou willen stoppen om het geheim van het Nigeriaanse voetbal te ontdekken. Okocha, Kanu, Amokachi, Finidi - hun opvolgers moeten hier toch lopen?

Als we voor overstekende mensen stoppen, zie ik een jongetje met zoiets als een tennisbal aan zijn voeten drie jongens passeren en scoren in een doel dat op een muur is geverfd. Mensen tikken op de ramen van de taxi als ze mij - een witte man! - zien zitten. Aan het einde van een zandweg met gaten en scheuren verrijst een hotel, achter een groot hek met scherpe punten. In de lobby hangen jongens in trainingspak voor de televisie. Een jongen in voetbalshirt met het nummer 10 en de naam Oruma op zijn rug, ligt met zijn hoofd op de bar te slapen. Oruma, was dat niet de topscorer van het juniorenwereldkampioenschap?

Eniwoke gaat op zoek naar de trainer. Na driekwartier komt hij terug. Ik ben welkom. We lopen in een ondoordringbare duisternis drie trappen op en betreden een kamer.

Daar zit hij, Fanny Ikhayere Amun, de man die het jeugdelftal van Nigeria onder de 17 jaar, The Green Eaglets, vorig jaar zomer wereldkampioen maakte. Het type van een bokser, angstwekkend groot, sterk en breed. In trainingspak. Zijn blote voeten zijn groot. Een dertiger. Nu is hij trainer van de selectie onder 21 jaar, The Flying Eagles.

Midden in de kamer ligt op de vloer een tweepersoonsmatras met een verfrommeld laken. In een supermarktkarretje staat een televisie. Op een vlekkerig en rafelig vloerkleedje staat een telefoon. In een hoek van de kamer zit een keurige man in een smetteloos wit traditioneel Nigeriaans kostuum. Een laag tafeltje ligt bezaaid met papieren, kranten en strips met hoofdpijnpillen tussen twee flessen Bailey's en een bord met rijst en afgekloven botjes.

Amun staat op en geeft me een pols, omdat zijn hand te vet is. Hij verwelkomt me met volle mond en snuift luidruchtig. Maar hij is aardig en zeer trots.

“Zo! Heb je een kaartje? Wat wil je van me weten?”, vraagt Amun, terwijl hij met zijn pink een vleesrestje tussen zijn kiezen wegpulkt.

“Ik wil het geheim van het Nigeriaanse voetbal weten”, zeg ik vastberaden.

Hij begint met zijn eigen staat van dienst, toont zijn visitekaartje waarop gedrukt staat dat hij chief coach was van het team dat wereldkampioen werd, dat hij nu chief coach is van het team onder 21, dat hij gediplomeerd voetbalcoach is en een scheidsrechterslicentie heeft. “Ik ben 15 jaar scheidsrechter geweest. Ik heb een FIFA-certificaat als scheidsrechter en een trainerslicentie van de Duitse voetbalbond”, pronkt hij. Wie zal hem tegenspreken.

“In Europa zijn de beste clubs. Maar wij hebben een betere jeugdopleiding. Onze jeugdteams zijn de beste ter wereld. Kijk maar na, bij jeugdwereldkampioenschappen worden we kampioen of worden we tweede of derde. Niet de clubtrainers maar de bondscoaches moeten de jeugd opleiden.”

Hij staat op en verheft zijn stem om nog meer indruk te maken.

“Nigeriaanse jongens kunnen alles met een bal. Maar ik moet ze leren effectief te voetballen. Zo, kijk!”

Hij pakt een plastic waterfles van de tafel, die voor de helft is gevuld, en zet hem voor zich op de grond. Hij buigt zijn bovenlichaam over de fles, zet zijn linkervoet naast de fles en zwaait zijn rechterbeen naar achter. Hij legt uit waarom hij zo staat en wijst met zijn handen naar de stand van zijn benen en de kromming van zijn rug.

“Zo moet je een bal trappen”, schreeuwt hij.

Ik kijk alsof ik water zie branden. Dat iemand mij dat mij nog meent te moeten uitleggen.

Ik schrik. Met een enorme klap ploft de fles tegen de muur. De fles blijft heel. Amun lacht. De man in het witte kostuum reageert niet. Hij zou niet durven.

Amun neemt een pilletje in en gooit er een slok water achteraan. Hij scheurt ongevraagd een vel uit mijn notitieblok, schuift het bord met etensresten op zij, pakt mijn pen en tekent een organogram. In grote letters schrijft hij er zijn trainingsprogramma bij, van dag tot dag, van uur tot uur. Horizontale en verticale strepen drukt hij door het papier heen.

“Trainingskampen, dat is onze kracht. Met de jeugd onder 17 jaar was ik in totaal 22 maanden in trainingskamp, vijf fasen van minimaal vier weken. Met de selectie onder 21 jaar zijn we aan de voorbereiding op het wereldkampioenschap van 1995 bezig. Achttien maanden in totaal, in vier fasen van minimaal vier weken. Zonder trainingskampen krijg je nooit saamhorigheid in dit grote land.”

“Spelen ze dan niet voor hun clubs?”, vraag ik.

“Nee. Alleen op speciaal verzoek krijgen ze toestemming voor hun club te spelen. Die meneer daar is manager van een club. Hij komt speciaal naar hier om vrij voor een speler te vragen. Ik weet nog niet of ik toestemming geef. De centrale training is belangrijk. Maar zij betalen hun salaris. De manager heeft er wel wat voor over, heeft hij beloofd. Ze kennen me. Ze weten dat ik een goede trainer ben.” Zijn trots is onvermijdelijk.

Amun legt uit dat continuiteit in de opleiding belangrijk is. De talentvolle spelers moeten stapsgewijs de nationale selecties doorlopen, bij voorkeur moet de trainer dezelfde blijven. Die kent ze het beste. Meegroeien. Daarom is hij nu gepromoveerd tot coach van de 'U-21'.

Een logische stap zou dus zijn dat hij binnenkort de nationale Nigeriaanse ploeg, The Super Eagles van de Nederlander Clemens Westerhof overneemt.

“Of dat logisch is? Dat weet ik niet. Wat Westerhof doet, moet hij weten. Maar hij denkt niet mee met mij, niet met het Nigeriaans opleidingsprogramma. Hij heeft me Kanu afgepakt. Die hoort bij mij. Die heb ik groot gemaakt. Ik heb ervoor gezorgd dat hij mee mocht doen aan het WK U-17. Daar was hij de beste speler van het toernooi. Westerhof heeft ervoor gezorgd dat hij naar Europa ging. Dan heeft hij meer grip op hem. Spelers die in Europa spelen, luisteren naar Westerhof. Spelers die hier zijn, naar mij.”

“Kanu is toch geen 17 jaar. Die is 23 zeggen ze in Nigeria. Heeft u voor hem een tweede paspoort laten aanvragen om hem aan het wereldkampioenschap te laten meedoen?”, vraag ik.

“Daar antwoord ik niet op. Dat is mijn zaak niet. Kanu is belangrijk voor het Nigeriaanse voetbal. Die had bij mij moeten blijven. Dat is wat ik vind. Kanu mag niet beschadigd worden.”

Amun maakt meteen een einde aan het gesprek.

Brutaal vraag ik of hij ons dan maar terug naar de stad kan brengen. Taxi's zijn hier immers nauwelijks te vinden.

Hij is bereidwillig, neemt ons mee naar zijn auto, een Mercedes met airco, waarin tal van poppetjes, kraaltjes en vaantjes hangen. Hij rijdt de zandweg op.

“Ik heb geen benzine meer”, roep hij plotseling en wijst naar de benzinemeter. Een kilometer verder stopt hij bij een paar mannen die aan de kant van de weg staan te praten. Hij schreeuwt en draait zijn auto zonder op het verkeer te letten. Een klap, gevolgd door gekrijs van mensen. Door de manoeuvre van Amun zijn twee auto's op elkaar gebotst en hebben ze een kind aangereden. Mensen snellen toe en omtfermen zich over het bloedende kind. Ze schelden en tieren in het wilde weg. Amun kijkt niet op of om. Hij wijst op een taxi en zet ons uit zijn auto.

“Bedankt voor uw komst!” Amun rijdt weg.

John Mastoroudes is Grieks-Cyprioot van afkomst, geboren in Nigeria. Hij weet alles over voetbal. Elke voetballer kent hij. Hij is zakenman, was trainer van Leventis United, een paar jaar geleden nog Nigeriaans bekerwinnaar. Hij schrijft columns in voetbalmagazines en ontbreekt op geen enkele foto waarop Nigeriaanse voetballers worden gehuldigd.

In zijn bewaakte appartement analyseert hij de positie van het voetbal in de Nigeriaanse samenleving.

“Er is zo ontzettend veel ruw voetbaltalent in Nigeria. Geef ze tien maanden een goede opleiding en het worden wereldvoetballers. Maar een goede opleiding is in Nigeria niet mogelijk. Er zijn geen faciliteiten. De velden zijn onbespeelbaar. Er zijn geen trainers. Er is weinig geld. De clubs die wel geld hebben, betalen de spelers beter dan de trainers. Maximaal 500 naira (55 gulden) per maand. Dus betalen de spelers de trainers om te kunnen spelen.”

Hij zegt dat de regering niet in sport investeert.

“Ze geeft alleen geld als een beloning, zoals aan de spelers en trainers van het nationale elftal toen ze Afrikaans kampioen werden. Dan krijgen ze een huis, een auto en een premie. Dat is nationaal prestige. Meer niet. Het belang van het nationale team gaat boven alles. In Europa zijn de clubs het belangrijkst. Sponsors zijn niet geinteresseerd als ze er niets voor terugkrijgen. Alleen bedrijven die politieke belangen hebben verbinden hun naam aan een voetbalclub.”

“Talenten gaan dus naar het buitenland?”

“Ja, eerst werden ze professional in omliggende Afrikaanse landen. Zoals Ghana, Kameroen en Ivoorkust, waar het profvoetbal beter georganiseerd is. Waar de faciliteiten beter zijn, waar de velden goed zijn en het geld niet in verkeerde zakken verdwijnt. Nu gaan ze naar Europa. Westerhof stimuleert dat. Hij heeft er als bondscoach baat bij dat spelers beter worden. Toen hij hier kwam, zag hij dat er niks was voor de spelers. Dat hier geen toekomst is voor voetbal. Dus brengt hij spelers in contact met Europese clubs.”

“Verdient hij daar geld mee?”

“Westerhof is handig. Maar wat is er mis mee als hij er geld aan zou verdienen. Hij heeft de spelers van de selectie in zijn macht.”

“Staat hij niet onder druk van Nigerianen? Het land telt 250 etnische stammen, ze willen allemaal vertegenwoordigd zijn in het nationale elftal. En de minister van sport zal ook wel invloed hebben.”

“Hij krijgt adviezen. En hij zou dom zijn als hij die in de wind sloeg. De ene helft van de bevolking wil Westerhof weghebben, de ander is vol lof over hem. Na elke nederlaag begint de heisa weer. Maar hij krijgt voldoende steun. Hij heeft het met Nigeria ver gebracht. Die stammen, die hebben nauwelijks invloed meer. Westerhof zal er wel eens rekening mee houden. Maar als hij dat te veel doet, wordt het een nog grotere chaos. Ze zien dat hij voor continuiteit zorgt. Altijd dezelfde spelers, altijd spelers die hij kan vertrouwen. En veel trainingskampen in het buitenland om ze weg te houden uit de invloedssfeer van de lokale bevolking.”

Mastoroudes wijst op de uiteenlopende lichaamsbouw van de Nigerianen. In feite bestaan er maar drie belangrijke stammen: de Hausa's in het noorden. Dat zijn grote sterke mensen, boeren zoals Amokachi, een van de spitsen van het nationale elftal; de Yaruba's in het westen, zoals Yekini, die reusachtige spits; en de Ibo's in het oosten.

De nationale teams worden door de regeringsleiders beschouwd als een voorbeeld van sociale integratie. Als het uithangbord van Nigeria. Generaal Sani Abacha is sinds hij in november de regering van president Babangida omver wierp, de Head of State. Een juntaleider die met dictatoriaal gezag meent van Nigeria met zijn negentig miljoen inwoners eindelijk een economisch evenwichtige natie te kunnen maken. Bij elk nieuwsonderwerp van het televisiejournaal verschijnt hij in beeld, pratend. Voor de finale van de Afrika Cup had hij een onderhoud van een uur met de Nigeriaanse voetballers. En iedereen die televisie heeft in Nigeria, moet dat hebben gezien.

Abacha ontving de voetballers nadat ze Afrikaans kampioen waren geworden. Op het grote plein van de federale hoofdstad Abuja omhelsde hij Westerhof en zijn spelers. En hij kuste Okocha, de Nigeriaanse stervoetballer.

Dat was op hetzelfde plein waar Abacha op 5 mei een andere opmerkelijke daad verrichtte. Na lange militaire parades en veel vertoon van macht introduceerde hij de Law Against Indiscipline and Corruption. In de stromende regen marcheerde een brigade van mannen en vrouwen in hun groenwitte padvinderstenue voorbij het podium van Abacha. Van hen wordt verwacht dat ze de orde herstellen. Zij slaan bijvoorbeeld op voetgangers in die rode stoplichten negeren. Dat werd de volgende dag wel duidelijk.

Op de avond van 5 mei kijk ik bij Mastoroudes op de televisie naar de wedstrijd Zweden-Nigeria die via de satelliet op Eurosport kan worden ontvangen. Mijn gastheer is pessimistisch over de kansen van Nigeria. Maar de wereld zal van Afrikaanse voetballers gaan houden, orakelt hij. Het wordt tijd.

“Het zijn allemaal goede voetballers. Ik ken ze toch. En ze zijn gedisciplineerd, sportief. Maar de Nigeriaan wil artiest zijn. Die wil verheven zijn boven andere Afrikaanse volkeren. Altijd is er in hun spel een periode van concentratieverlies. Dat is er in gegroeid, dat haal je er niet meer uit. Misschien komt dat door de tropische hitte, even pauze nemen. Gallery-play, daar zijn ze goed in. Maar dat kan hier niet in Nigeria, op die slechte velden. Ze moeten naar Europa, naar de mooie grasvelden. Om te showen. Man, wat kunnen ze voetballen!”, zegt mijn Griekse gastheer en hij droomt van balkunstenaar die het leven zoenen met voetballiefde.

Ik denk terug aan de wedstrijden die ik in Nigeria heb gezien. Eerste of tweede divisie, het maakte nauwelijks verschil. Veel artiesten, veel dromers, wedstrijden met veel chaos en spektakel op het veld. Over niveau valt niets te zeggen. Ze doen maar wat, gelukkig maar. Mijn gastheer voelt hetzelfde: het aangename gevoel dat er nog niet volgens een systeem wordt gevoetbald. Zoals straatvoetbal. Ze hebben al wel schoenen aan. De modernisering slaat langzaam toe. Tegen middernacht zijn we uitgepraat over Okocha, Maradona, Baggio, Kanu, Savicevic en Romario.

Buiten is het nog altijd warm. Voor de pompstations staan auto's kris kras opgesteld om als eerste benzine te kunnen tanken.

“Nigerianen.” Op het gezicht van John, mijn grote Ghanese chauffeur, staat een glimlach. Hij schudt zijn hoofd en baant zich een weg door de chaos.

“In Nigeria zijn geen regels.”