Nationaal alternatief voor het Europees Parlement is een illusie

Het kost dezer dagen grote moeite iets positiefs in de media aan te treffen over het Europees Parlement. In een sfeer van verguizing en hoon is dit instituut ten tonele gevoerd in het licht van de verkiezingen. Sommige commentatoren meenden dat men de democratie een betere dienst bewijst door maar helemaal niet te gaan stemmen. Anderen, zoals Paul Kapteyn in NRC Handelsblad van 3 juni, pleitten voor nieuwe instellingen als 'nationale Europese Kamers' om de Europese besluitvorming beter in de greep te krijgen. Het Europees Parlement in zijn huidige vorm kan dan verdwijnen, zo meent hij. Op zich kan men sympathie opbrengen voor de wrevel die bestaat ten opzichte van het gebrek aan democratie op de Europese bestuurslaag. Het blijft verbijsterend dat staten, die er meestal pas na langdurige en moeizame ontwikkelingen in geslaagd zijn 'thuis' de zaken in democratisch opzicht fatsoenlijk te regelen, er op die bestuurslaag zo'n potje van hebben gemaakt. Maar het lijkt niet zinvol dat die wrevel zich keert tegen het Europees Parlement.

Onloochenbaar blijft dat de internationale samenleving zich zo ontwikkelt dat steeds meer vraagstukken alleen in Europees verband zijn op te lossen en steeds minder in Nederlands verband. Wie kijkt naar wat er puur nationaal nog kan worden aangepakt komt niet veel verder dan onderwijs, cultuur, gezondheidszorg, woningbouw en sociale zekerheid. Vraagstukken op het gebied van het milieu, vervoer, telecommunicatie, werkloosheidsbestrijding, misdaadbestrijding, opvang van asielzoekers en andere vreemdelingen zijn alleen doelmatig op te lossen in Europees verband. Ook bij het zoeken naar vredesoplossingen op ons eigen continent lijkt Europese samenwerking de enige weg. Op het ogenblik is bijna dertig procent van de regelgeving in Nederland afkomstig uit de Europese besluitvorming. Dit percentage zal alleen maar snel toenemen met de invoering van een ECU als Europees wettig betaalmiddel.

Bij al deze regelgeving staan de nationale parlementen vrijwel buitenspel. Natuurlijk wordt er voor- en nagekaart over wat er in Europa wordt besloten, maar van effectieve controle - zo geeft men ook op het Binnenhof toe - is geen sprake en kan ook geen sprake zijn. De meeste besluiten in de Europese ministerraad worden al met meerderheden genomen. Van de ministeriële verantwoordelijkheid tegenover het Nederlandse parlement kan in zo'n geval niets terecht komen.

Vaak wordt de stelling verdedigd dat wanneer sprake is van besluiten met eenparigheid in de Raad van Ministers, het nationale parlement de minister nog wel onder controle heeft. Hij kan immers een veto gebruiken en daarmee tegenhouden wat het nationale parlement niet wil. Wie echter in de praktijk de Europese besluitvorming beziet, weet dat geen enkele bewindspersoon zich een vastomlijnd mandaat laat opleggen voordat hij naar Brussel gaat. Hij moet immers armslag hebben om te onderhandelen en Europese factoren in aanmerking kunnen nemen die ontsnappen aan de blik van het nationale parlement.

Europese besluitvorming kan alleen effectief worden gecontroleerd door een orgaan dat zich op dezelfde bestuurslaag bevindt en dezelfde factoren in aanmerking kan nemen als bij de besluitvorming in de Europese ministerraad een rol spelen. Dat kan alleen maar het Europees Parlement zijn. Democratische controle in Europa zal nooit de optelsom kunnen zijn van twaalf of meer nationale parlementen. In alle jaren dat de Europese samenwerking bestaat is er nog nooit een minister naar huis gestuurd omdat hij zijn of haar vetorecht wel of niet heeft gebruikt.

Stel dat een minister van Brussel zou terugkeren om een reeds genomen besluit weer open te breken volgens de verlangens van het Nederlandse parlement. Dat zou ogenblikkelijk problemen opleveren met andere nationale parlementen, die op hun beurt aanpassingen zouden eisen. Dit zou gauw leiden tot een verlamming van de Europese besluitvorming. Oplossingen als door Paul Kapteyn voorgesteld waarbij 'nationale Europese Kamers' onderling zouden moeten samenwerken, 'coalities en kongsies moeten aangaan waarvan de tentakels zich tot in Brussel uitstrekken', zijn dan ook een illusie.

Het tempo waarin op het ogenblik uitdagingen aan Europa worden gesteld ligt aanzienlijk hoger dan het tempo waarin de structuurveranderingen plaatsvinden die nodig zijn om aan die uitdagingen te beantwoorden. Bovendien grijpen de problemen steeds meer in elkaar. Een duidelijk voorbeeld hiervan vormen de vluchtelingenstromen die alleen te voorkomen zijn met een effectief - liefst preventief werkend - Europees vredesbeleid. In die zin is het Verdrag van Maastricht niet een 'brug te ver' maar enkele bruggen te nabij.

Traditionele atlantici in Nederland en/of commentatoren met een heilig geloof in het voortbestaan van de nationale staten hebben het daar moeilijk mee en zoeken steun in het verleden. Maar de huidige ontwikkelingen in Europa en in de wereld zijn natuurlijk voor een groot deel zonder precedent. Zoals ook de institutionele benadering van die ontwikkelingen zonder precedent is. Supranationaliteit is waarschijnlijk de enige winst van meer dan tweeduizend jaar geschiedenis en er waren twintig miljoen doden nodig om de noodzaak ervan onder ogen te zien.

Het zou doodzonde zijn die winst, die juist de grote meerwaarde oplevert van de Europese samenwerking weer overboord te zetten. Van die supranationaliteit maakt het Europees Parlement onverbrekelijk deel uit. Wie de totstandkoming van Europese wetgeving volgt weet dat het Europees Parlement daar absoluut niet in een luchtledig opereert, zoals Heldring meent. Er is inderdaad geen Europese regering maar in het samenspel tussen Europees Parlement, Commissie en Europese ministerraad heeft het eerste orgaan wel degelijk een behoorlijke greep op de wetgeving. Men kan zelfs volhouden dat in de praktijk juist het ontbreken van een Europese regering het Europees Parlement meer vrijheid verschaft wetgeving te veranderen omdat het anders dan het Nederlandse parlement niet steeds met een regeerakkoord wordt geconfronteerd.

Wie als Heldring beweert dat het Europees Parlement geen bestaansredenen heeft omdat er 'geen Europees volk' is, bedient zich van een retorische truc. Indien de noodzaak van steeds meer Europa onloochenbaar is, is ook de noodzaak van steeds betere democratische controle op dat proces onloochenbaar. Nationaal lukt dat niet meer, dus moet het, hoe onvolkomen voorlopig nog geregeld, maar Europees. Een derde weg is er niet.