Le jardin du plantsman

Geen ogenblik vermoedde ik, toen ik de tentoonstelling l'Art du Jardin in het Parc de St. Cloud bij Parijs betrad, dat daar voor mij een droom uit mijn kinderjaren in vervulling zou gaan. Na de planten te hebben gezien en mijn weg gevonden te hebben langs stands waar, zoals op zulke tentoonstellingen gebruikelijk, tuinmeubilair, tuinkleren, gereedschap, boeken, antiek en bric-à-brac geëxposeerd werd, kwam ik bij de kinderafdeling terecht. Er was een tuin voor kinderen 'om de natuur te ontdekken' - wondermooi, met een 'damier des flaveurs', een geurendambord (met verschillend geurende planten in de zwarte vakken, en de witte vakken om in te lopen) en een uitstalling van allerlei speelgoed voor buitenshuis (waaronder een wondertent die zichzelf in elkaar zet); er was een kinderboekenwinkel en nog een gewone speelgoedwinkel.

Speelgoed in andere landen is altijd boeiend; ook hier was het heel interessant en bovendien botanisch educatief. Ik vond er een kit om zeepbellen te blazen zo groot als vuilniszakken, die ik meteen kocht, en, helemaal achterin, dat wat ik al jaren hoopte te vinden: 'les baguettes du sourcier', dat is te zeggen wichelroeden.

“Werken ze echt?” vroeg ik. “Maar vanzelfsprekend, madame”, was het niet onverwachte antwoord, en iemand ging een glas water halen om het te demonstreren. De roeden zijn van metaal en L-vormig, de korte stukken los scharnierend in plastic handvaten: die houd je strikt evenwijdig en 20 cm uit elkaar, en zo loop je op het water af. En waarachtig, toen ik er dichtbij kwam draaiden de uiteinden met kracht naar elkaar toe: het werkte! Terug in mijn hotel kruisten de stangen elkaar zelfs van opwinding bij het naderen van de badkamer; een nieuwe carrière doemde voor mij op, Sarah des sources, vindster van verborgen bronnen.

Dat moment was voor mij het hoogtepunt, maar l'Art du Jardin is een belangrijke tentoonstelling, die kan concurreren met de Chelsea Flower Show. Het was dit jaar de eerste keer dat deze Franse tuinmanifestatie werd gehouden, en het bleek een groot succes, met meer dan 65.000 bezoekers. De organisatie had iets plezierig informeels, contrasterend met de wat zelfgenoegzame ernst van Chelsea, dat de neiging heeft je bij een knoop van je jasje te pakken en te zeggen: “Nu zullen we je eens even wat laten zien”. En dan het decor! Eeuwen van Franse tuinarchitectuur zien op de bezoeker neer, daar aan de zoom van het schitterende Parc de St. Cloud, met bovenaan 'les Cascades' van Le Nôtre (1669) en op een lager niveau 'les Grandes Nappes' van Mansart uit dezelfde periode. Daar kan de tent van Chelsea niet tegenop. Je waande je in een schilderij van Fragonard.

Frans tuinmeubilair en tuin-antiek is zo klassiek van vorm en zo ver verwijderd van de treurige wereld van het plastic tuinzitje, dat je soms niet wist of het een deel van de tentoonstelling of van het park was.

We worden verondersteld onze tuinen als een 'kamer buitenshuis' te zien; dat geldt ook voor Frankrijk, maar daar is het bovendien duidelijk een buitenshuis eetkamer. Er was een opvallende nadruk op eet-accessoires: niet alleen meubilair maar ook aardewerk, tafellakens, servetten, hele bijpassende collecties voor het diner in de tuin. Ook was er een enorme keus in barbecues, geperfectioneerder (en lelijker) dan alles wat ik ooit heb gezien, enorme veldkeukens op wielen, maar zelfs die bekeek je met vertedering, denkend aan de fijnproeversgerechten die er op zullen worden bereid.

Goede smaak

'Le végétal: un marché d'avenir', stond er in de persdocumentatie die ik kreeg, en het interessante is inderdaad dat de Franse tuinmarkt nog ver is van het verzadigingspunt dat in Engeland en Nederland al bijna bereikt lijkt te zijn. Die persmap bevatte ook een zeer Franse indeling van 'de vijf verschillende soorten tuinen in Frankrijk', te weten: 'le jardin fonctionnel', de moes- of volkstuin (16% van het totaal); 'le jardin patrimoine - des jardins d'agrément', die 'de goede smaak en het maatschappelijk succes van de eigenaar weerspiegelen' (29%); 'le jardin écolo', die bestaan kan uit een balcon of desnoods één plant in een pot, beschreven als 'des jardins aléatoires', maar waaraan als gevolg van 'hartstocht of ecologische inspiratie' soms veel geld wordt besteed; 'le jardin spectacle', tuinen van jonge stedelijke consumenten: 'modefanaten, sociale zappers' - mooie uitdrukking - (20%), en tenslotte de 'jardin cocon', waarin de mensen zich met hun familie afzonderen van de gruwelen van de moderne wereld en hun eigen tuinen creëren 'met wat professionals vaak zien als overtredingen van de goede smaak' (20%).

Wat bij deze kernachtige beschrijvingen opvallend ontbreekt is de echte tuinierstuin ('le jardin du plantsman'). Misschien is die in de Franse tuinwereld statistisch te onbetekenend; dat zou kunnen - als je kijkt naar de planten die getoond werden (en, in tegenstelling tot Chelsea, ook te koop waren) is niet te ontkennen dat de Fransen in expertise achter lopen bij de Engelsen op dat gebied. Maar voor een echte plantenshow moet je naar de 'Journées de plantes de Courson', in mei, misschien een idee voor volgend jaar.

Er waren verschillende buitenlandse standhouders, en bij hen informeerde ik naar de verschillen tussen de Franse en de Engelse en Nederlandse bezoekers. Een Engelse kweker stond mistroostig bij een indrukwekkende uitstalling van Corydalis flexuosa, de nieuwe blauwe corydalis waarover ik eerder schreef (Buitenlust 116); hij had er honderden meegebracht en hij had de prijs al gereduceerd van 50 tot 35 francs. In Engeland, merkte hij bitter op, zou hij de hele voorraad al lang verkocht hebben; in St. Cloud was ik misschien wel zijn enige klant. Deze plant is zo nieuw dat bijna niemand er nog ervaring mee heeft: ik maakte van de gelegenheid gebruik hem over mijn problemen met de mijne te consulteren en hij adviseerde een goede drainage.

Tegenover deze ervaring stond die van een andere Engelse kweker, die 500 Saxifraga 'Southside Seedling' had meegebracht: daarvan waren nog maar 20 over. Het verschil was dat die allemaal in bloei stonden en er derhalve indrukwekkender uitzagen dan de corydalis.

Op de stand naast de zijne werden heel gewone eenjarige perkplanten verkocht, meer wat je in Franse tuinen ziet; deze kwamen allemaal uit Nederland, vertelde de Engelsman met de saxifraga mij, hij had ze zien uitpakken. Geïmporteerde planten vertegenwoordigen 12% van het tekort op de Franse handelsbalans; in 1991 importeerden ze ter waarde 4,6 miljard francs, waarvan 67% uit Nederland en 15% uit België en Luxemburg.

Een Belgische kweker was bezig daaraan het zijne bij te dragen met een adembenemende collectie hosta's, waarvan vele de Fransen helaas steenkoud laten “Ils n'aiment pas le panaché,” vertelde hij, mij daarbij lerend dat dit Franse woord ook 'bont' betekent ('variegated'); hoe vreemd dat ik na 20 jaar in Frankrijk te hebben gewoond nu pas in aanraking kom met het tuinvocabulaire. Eén bonte plant in de tuin vinden de meeste Fransen genoeg, zei hij, ze zijn geen collectioneurs. Maar, voegde hij er aan toe, hoewel de Fransen minder van planten weten, “ils ont plus de goût”.

Daktuin

Een van de aangename kanten van het bezoek aan een tuintentoonstelling is dat ze iets hebben van een tijdmachine, die in staat stelt in de toekomst te kijken. Niet lang geleden kocht ik drie nieuwe soorten hydrangea's, waarvan ik er nooit een in bloei had gezien. Maar in St Cloud waren ze op het appel, alle drie, weelderig bloeiend in mei, en mij vervullend van ongeduld de mijne te zien: Hydrangea quercifolia 'Snow Flake' met bloeiwijzen van kleine dubbele bloemen, ongelooflijk mooi, H. serrata 'Preziosa', en H. macrophylla 'Madame Emile Mouillère', allebei nog prachtiger dan de beschrijvingen op grond waarvan ik ze gekocht had. Er waren daar in St.Cloud trouwens opvallend mooie heesters te zien; het spectaculairst, ongetwijfeld bedoeld voor de impulsieve koper, waren een paar fantastische boompalmen, Dicksonia antarctica (te geef voor 2.250 francs), voor de gelukkige 'zappeurs sociaux' die in mildere luchtstreken wonen dan de onze.

De modeltuinen in St. Cloud waren zeer verschillend van de soort die je in Chelsea ziet, vooral de zogenaamde 'Jardin anglais', die wat vertekend was door de Franse neiging de planten netjes in streng Cartesiaans gelid te zetten inplaats van in een milde Angelsaksische verwarring. Er was een tuin ontworpen door Christian Dior, in werkelijkheid helemaal geen tuin maar meer een enorm horizontaal reclame-affiche met een paar planten er tussen; een zeer elegante daktuin, prachtig ontworpen maar met niet al te veel fantasie beplant met bakken vol Oost-Indische kers; er was een smetteloze Zen-tuin en, het aantrekkelijkste ontwerp, een Grootmoeders tuin. De gedachte was hier niet alleen de planten terug te zien die je je liefdevol uit de tuinen van je kinderjaren herinnert, maar ook degene waar je de pest aan had: 'capucines, giroflées et mufliers' (Oost-Indische kers, violier en leeuwebek). Het was een kruising tussen een moestuin en een bloementuin, ook weer met alles op een rijtje maar hier was dat juist goed, compleet met een paar prachtige kippen en een oude roos tegen het kippenhok. Het had de sfeer van een liefdevolle herschepping van het verleden en niet die van een pastiche; het was bovendien ook practisch en functioneel.

De tentoonstelling was kortom zeer Frans en (dus) goed uitgedacht. Als je een grote plant kocht stonden er meteen mensen klaar met een kruiwagen om hem naar je auto te rijden. Ontroerd zag ik hoe die soms ruzie kregen, zoals Parijse taxichauffeurs. Op een zeker moment zag ik zo'n kruiwagenchauffeur, met plant en tevreden klanten, bezig zich kwaad te maken op een collega, met precies dezelfde plant en dito klanten: 'C'est ma brouette ça, vous m'avez pris ma brouette!'

Kon ik maar naar Nederland teruggaan met zo'n kruiwagentaxi: toen ik een roos had gevonden die ik wilde kopen, Rosa glauca, een flink groot (en flink prijzig) exemplaar, ontdekte ik dat ik haar nauwelijks kon optillen. 'Ik gebruik nooit terreau (potgrond),' zei de kweker, en inderdaad, het moet zuivere klei zijn geweest, het woog een ton.

De opening door Minister van Binnenlandse Zaken Charles Pasqua heb ik gemist, misschien wel de laatste politicus die je met de ingetogen kunst van het tuinieren zou associëren, en ook de privé visite van Mitterrand. Maar ik had het voorrecht een forse Franse politieagente te zien die gretig een kwaadaardig uitziend zakmes kocht, een man te horen uitleggen dat t-shirts met afbeeldingen van tuingereedschap voor mannen waren en die met onkruid voor vrouwen, en een uitgeputte bezoekster zenuwachtig haar dochter te horen vragen of het 'permis' was om op een van de banken te gaan zitten.

Gieter

Frankrijk is ook het land van een oude en wat provinciale uitvinderstraditie, die nog niets van haar vindingrijkheid (en provincialiteit) bleek te hebben ingeboet: ik heb de Arroisoir Odéo, 'de gieter van het jaar 2000' gezien.

De gieter is in de moderne tijd niet veel veranderd; het was een van de selecte gereedschappen die al snel hun definitieve vorm vonden en behielden (zoals de vliegenmepper). Vooral de ouderwetse zinken versie met een koperen douchekop is de laatste tijd in de mode, veel duurder en zwaarder dan de plastic uitvoering, maar nu is er dan eindelijk een nieuwe, eigentijdse gieter. Het heeft iets van een vogel met een snavel, een zwaan, en ook iets van een designer-fluitketel; het demonstratiemodel zat helaas aan het presentatiepodium vastgeschroefd (zodat ik eerst dacht dat hij van massief beton was); ik kan dus niet zeggen dat ik er ook mee gegoten heb. Maar de vondst is dat de hals, die tegelijk vulslang is, net als een bureaulamp in alle richtingen kan worden gebogen, zodat het niet meer hindert of de kraan in een hoek of vlak tegen de muur zit; waarom is niemand ooit eerder op die gedachte te komen? De Arrosoir Odéo is nog niet in de handel, hoewel de ontwerper, Pascal Grossiord, er vorig jaar de eerste prijs mee heeft gewonnen in de 'Objet 2000'- competitie in Parijs; een groen folder met volledig curriculum vitae van de uitvinder licht ons er over in; het kan alleen maar een kwestie van tijd zijn voor de Odéo de wereld verovert.

De vorm van deze gieter is zo suggestief, dat ik na mijn wichelroede-avontuur een visioen had hoe, als je er twee had, de halzen naar elkaar zouden nijgen als verliefde zwanen - 'geenszins om liefde, maar om de sublieme momenten en het sentiment daartussen'.