Langs tweeëntwintig velden

Simon Kuper: Football against the enemy 222 blz., Orion 1994, ƒ 17,95

De Engelse journalist Simon Kuper heeft aan de vooravond van de wereldkampioenschappen voetbal een wereldreis gemaakt langs de velden in tweeëntwintig verschillende landen. Hij heeft niet alleen langs de zijlijn gestaan, maar ook via gesprekken met voetbalbonzen, politici en fans onderzocht hoe innig voetbal en politiek leven verstrengeld kunnen zijn. Het resultaat is een prachtige verzameling reportages.

Kuper begint zijn reis in Nederland, in de zomer van 1988, toen de huiskamers massaal leegliepen, en Nederland op straat de overwinning op erfvijand (West-)Duitsland vierde. De medewerkers van het instituut Clingendael hadden een dagtaak aan het duiden van deze rituele reiniging van de vernedering van de Bezetting. Kuper stelt spijtig vast dat 'we' (hij is in Nederland geboren) een overwinning op Duitsland nooit meer op een dergelijke manier zullen vieren, zeker niet omdat hij verwacht dat de Duitsers 'ons' weer moeiteloos zullen verslaan als de huidige Nederlandse topspelers met voetbalpensioen is gegaan.

Kuper reisde van Nederland naar het voormalige Oost-Duitsland, waar hij de ongelooflijke geschiedenis van Helmut Klopfleisch optekende, die de Stasi in rep en roer bracht alleen doordat hij een voetbalfan was. Klopfleisch werd door het plaatsen van de Berlijnse Muur van de ene op de andere dag afgesneden van zijn geliefde Hertha BSC. Hij moest het daarna doen met de geluiden die over de Muur waaiden. Als het stadion juichte voor een Hertha-doelpunt juichten Klopfleisch en de andere Oostberlijnse Hertha-fans mee. Dat was afgelopen toen Hertha van stadion wisselde. Om toch binding te houden met hun club nodigden ze nu en dan bestuurders van Hertha uit, die met het jaar aan de grens strenger werden gecontroleerd. Klopfleisch was niet alleen een fan van Hertha, maar ook van Bayern München en het Westduitse elftal. Als hij de kans kreeg beroemde Westerse voetballers te zien spelen in een of ander Oostblokland, reisde hij daarheen en probeerde met zijn idolen op de foto te komen. De Stasi beschouwde dit als staatsgevaarlijke activiteiten en arresteerde hem regelmatig als er een bekende Westerse voetbalclub naar de DDR kwam.

In 1986 belandde Klopfleisch (die in zijn uitpuilende Stasi-dossier op letterlijk kafkaeske wijze met K. wordt aangeduid) in de cel na het verzenden van een telegram aan het Westduitse elftal, waarin hij het succes toewenste bij de wereldkampioenschappen in Mexico. Kort voor het vallen van de Muur in 1989 werd hij uitgewezen. De eerste wedstrijd van Hertha na de vereniging van Oost en West trok 59.000 supporters. Het waren vrijwel allemaal Oostberlijners die hun club, waar ze al die jaren naar hadden uitgezien, miezerige wedstrijden zagen spelen in de tweede divisie.

Cijfer

Onthullend is de reportage over Dynamo Kiev, de ploeg uit de Oekraïne, die onder leiding van coach Lobanovski met succes de computer introduceerde om zijn spelers te trainen. De club heeft een computerruimte waarin elke wedstrijd van Dynamo wordt geanalyseerd. Iedere speler krijgt een cijfer tot drie punten achter de komma, op grond van fouten, beweeglijkheid en effectiviteit van zijn acties. Lobanovski ontwierp verder een computertest die spelers moesten ondergaan voordat ze een contract kregen. Met deze test is ook de selectie samengesteld van de Sovjet-Unie voor de Europese kampioenschappen van 1988. Zavarov en Belanov, de twee topspelers uit dat team, haalden de hoogste scores bij de test zelfs als ze uit vorm waren.

Financieel gaat het de club voor de wind sinds Lobanovski besloot haar te professionaliseren, zo hoorde Kuper van Roman Obtsjenko, het loslippige hoofd internationale betrekkingen van Dynamo Kiev. Lobanovski wilde de banden met het ministerie van binnenlandse zaken verbreken (alle Dynamo's in Oostbloklanden waren de ploegen van de geheime diensten) en net als Westerse clubs sponsors aantrekken.

De nieuwe clubpresident Victor Bezverki, een vriend van de conservatief Igor Ligatsjev, heeft joint ventures opgericht, die opvallende winsten maken, soms oplopend tot jaarlijks 2 miljoen dollar. Dit kapitaal is volledig afkomstig van buitenlandse bedrijven. Beschermd door machtige Oekraïense families (door Kuper vergeleken met de mafia) kan Dynamo grote fiscale voordelen bieden aan deze ondernemingen, die in ruil daarvoor de helft van de besparing afstaan aan Dynamo. De club heeft zelfs vergunningen voor het exporteren van goud, terwijl de Oekraïne zijn goudreserve goed kan gebruiken om de torenhoge inflatie tegen te gaan. Dynamo Kiev zal de enige voetbalclub ter wereld zijn die geld heeft verdiend met het uitvoeren van onderdelen van kernraketten. Het belang van het spelen van goed voetbal is op de achtergrond geraakt. In de jacht op geld zijn de beste voetballers verkocht aan buitenlandse clubs.

Heel fraai is ook Kupers verslag van zijn bezoek aan Zuid-Afrika, dat hij bezocht in de dagen dat de 'Bafana Bafana' (de Zoeloe-naam voor het Zuidafrikaanse elftal) 0-0 speelde tegen Nigeria in de kwalificatiestrijd voor de wereldkampioenschappen. Ook Nelson Mandela kwam het team een hart onder de riem steken. Het is een publiek geheim dat Mandela (evenals Desmond Tutu) een fervent aanhanger is van de Orlando Pirates uit Soweto, maar toen Kuper hem met knikkende knieën vroeg of dat waar was, kon Mandela zijn voetbalhart niet laten spreken. “Ik steun alle teams evenveel,” zei Mandela die toen al begonnen was aan zijn verkiezingstournee en blijkbaar geen kiezers wilde afstoten.

Zwarte speler

Een van de vele interessante observaties die Kuper doet is dat het begin van het einde van de apartheid in 1977 is ingeluid door een voetbalwedstrijd. In dat jaar speelde voor het eerst een zwarte speler in de spits van de Arcadia Shepherds in Pretoria, ook al was dat tegen de wet. Een half uur voor het begin van de wedstrijd stelde voorzitter Saul Sacks van Arcadia de voetbalbond op de hoogte van zijn voornemen om Vincent 'Tanti' Julius op te stellen. Hij kreeg het dreigement te horen dat de club zou worden geroyeerd. Sacks nam toch het risico en stelde de zwarte spits tien minuten voor het begin van de wedstrijd aan zijn blanke medespelers voor. Het publiek geloofde zijn ogen niet, de kranten spraken er schande van, maar de overheid greep niet in. Dat was deels te verklaren omdat voetbal al als een zwarte sport beschouwd werd, in tegenstelling tot bijvoorbeeld cricket. Maar minister van sport Piet Koornhof zocht wel informeel contact met Sacks en zou hem hebben toevertrouwd: 'Meng met de zwarten. De toekomst van het land is aan de zwarten. Zwart en blank moeten samen leren spelen', een opmerkelijke uitspraak voor de jaren zeventig. Vincent Julius werd drie jaar achtereen topscorer van Arcadia, en ook andere blanke clubs begonnen zwarte spelers op te stellen.

In het hoofdstuk over Argentinië maakt Kuper duidelijk dat de KNVB een kans heeft laten liggen om Nederland alsnog wereldkampioen te maken, door geen diepgravend onderzoek te eisen naar de manier waarop Argentinië in 1978 de (door Nederland verloren) finale bereikte. De Argentijnse journaliste Maria Laura Avignolo schreef in 1986 in de Sunday Times dat de Argentijnse militaire junta de overwinning van 6-0 op Peru had gekocht met gratis graan- en wapenleveranties en een krediet van 50 miljoen dollar. Het leverde haar een proces op wegens 'morele verdorvenheid', maar zij werd vrijgesproken. Avignolo voerde alleen anonieme bronnen op en Kuper heeft geen nieuwe steekhoudende bewijzen gevonden voor de omkoping, al waren alle Dwaze Moeders die hij erover sprak overtuigd van de juistheid van het verhaal.

Het is niet alles sport en politiek wat de klok slaat in Football against the enemy. Een paar hoofdstukken horen er thematisch eigenlijk niet in thuis, maar zijn daarom niet minder interessant. Een voorbeeld daarvan is het gesprek dat Kuper voerde met Hellenio Herrera, de trainer die het catenaccio-voetbal groot maakte bij clubs als Inter Milan en Barcelona. Herrera legt uit dat zijn systeem ten onrechte wordt aangemerkt als een laf defensief systeem. In het correct uitgevoerde catenaccio met zijn vijf verdedigers hebben de links- en rechtsback belangrijke aanvallende taken. Ook het hoofdstuk over het falen van Bobby Robson als coach van PSV (Berry van Aerle leerde alleen Engels van hem) heeft niets met politiek te maken. Maar geen lezer zal zich daaraan storen, want het is, net als het hele boek, geestig en met vaart geschreven.