'In je eentje een flinke steen optillen is zwaar'; Hoofdofficier Vrakking blikt terug op de IRT-affaire

De commissie Wierenga noemde het handelen van de Amsterdamse hoofdofficier van justitie Vrakking in de IRT-zaak “overijld en ondoordacht”. Vrakking hoopt dat in de loop der tijd een genuanceerder beeld zal ontstaan.

AMSTERDAM, 11 JUNI. Eén levenswijsheid heeft hij de afgelopen maanden nadrukkelijk in acht genomen. “Als je wordt geschoren, moet je stilzitten”, zegt de Amsterdamse hoofdofficier van justitie, mr. J.M. Vrakking, om uit te leggen waarom hij de afgelopen maanden niet publiekelijk reageerde op het rapport van de commissie Wierenga.

Maar dat niemand denke dat de hoofdofficier een gebroken man is. Op een van de momenten dat hij in het openbaar te signaleren was, eind mei tijdens het Haagse feestje ter ere van de inwerkingtreding van de nieuwe Politiewet, maakte hij al duidelijk niet aangeslagen te zijn door alle kritiek. “Wat had u dan verwacht? Dat ik als een schlemiel langs de muren zou schuiven?”

Sterker nog, Vrakking zegt het de afgelopen maanden juist redelijk rustig te hebben gehad. “Als iedereen over je praat, heb je het zelf minder druk”, zegt hij in zijn geordende, smetteloze werkkamer op de vijfde etage van het Amsterdamse parket. “In het oog van de orkaan is het rustig.”

Vrakking werd deze week bovendien opgemonterd door het rapport van de commissie-Donner over het OM, waarin hij veel aanbevelingen teruglas die hijzelf de afgelopen anderhalf jaar in Amsterdam al heeft aangebracht: zoals het parket opdelen in units waardoor zowel crime fighters als beleidsmakers tot hun recht komen. Ook opereren officieren van justitie nadrukkelijk samen met de politie in wijkteams en werken politie-inspecteurs als parketsecretaris.

“Donner”, zegt hij, “heeft een uitstekend rapport gemaakt. We moeten beter letten op kwaliteit, zoals we dat hier in Amsterdam al doen. Ik vind dat Donner terecht aangeeft dat de problemen soms worden overdreven. Drie procent vormfouten is eigenlijk ongelofelijk weinig. Wij maken hier niet één diamant maar voornamelijk een bulkprodukt van 120.000 zaken. Dan valt drie procent mij reuze mee. Er staat niet in het rapport dat het een potje is bij het OM. De kranten schrijven dat wel - maar ja, we hebben de laatste maanden wel vaker gezien dat slecht nieuws kennelijk belangrijker is dan goed nieuws.”

Hoe hebt u de afgelopen tijd beleefd?

“Ik heb gedacht: je gaat niet met je rechter via de media in discussie. Het parlement boog zich erover en ik vond dat ik daar niet tegen moest vechten. Het is natuurlijk nooit prettig als je onderwerp van discussie bent. Maar wat kon ik doen? Me tijdelijk in laten vriezen en wachten tot het over is? Je moet toch verder met bestuur, politie en het parket. Die wilden weten: wat gaan we nu doen?”

Vond u dat u voldoende gezag had om uw vijftig officieren van justitie te leiden?

“Als ik nou een greep in de kas had gedaan of een in beslag genomen auto voor honderd gulden had gekocht. Ja, dan had ik iets gehad van, nou moet ik potverdomme maar vertrekken. Maar in de IRT-zaak heb ik een juridische beslissing genomen over de vraag hoe ver je moet gaan met infiltratie. Toen betrokkenen niet wilden praten over aanpassing van de werkmethode, heb ik tot een andere structuur besloten. Anderen menen nu dat ik een onjuiste afweging heb gemaakt. Maar ik had hier in Amsterdam veel medebroeders in de ellende, ook in de gemeenteraad en B&W, die er toe leidde dat we een soort verbondenheid kregen. Als ik in mijn eentje een flinke steen moet optillen, is dat zwaar. Als je het met elkaar doet, is het dragelijk.”

Is de IRT-kwestie mede veroorzaakt doordat u na een veertienjarige loopbaan als rechter schrok van de wijze waarop justitie de misdaad te lijf gaat?

“Dat viel mee hoor. De schok was natuurlijk dat je als rechter niet meemaakt dat als je een beslissing neemt niet iedereen over je heen valt. Een besluit van een hoofdofficier van justitie heeft al snel politieke implicaties, maar er is terecht geen Kamerlid die over het oordeel van een rechter valt”.

Hoe rechtvaardig vindt u de conclusies van Wierenga?

“Het is een beetje het verhaal van de frontchirurg die in het heetst van de strijd onder een olielampje een operatie uitvoert. Als de patiënt dan later een andere chirurg in alle rust nog eens alles laat bekijken, zegt die collega al snel: ik had het zelf anders aangepakt. Kijk, de schoonheidsprijs hebben we niet verdiend want er zijn fouten gemaakt. Ik zeg niet: gooi het hele rapport Wierenga maar weg. De analyse die ze hebben gemaakt van de bestuurscultuur rond het functioneren van het IRT vind ik fantastisch, heel goed gedaan. Maar dan komen ineens een aantal conclusies waarvan ik zeg, nou, nou.

“Er zijn op een gegeven moment in de juridische pers en in een aantal dagbladen artikelen verschenen waarin mijn beslissing om een discutabele opsporingsmethode af te blazen, werd toegejuicht. Toen leek het windvaantje een andere kant op te gaan maar het zette niet door. Om het beeld in de publieke opinie te veranderen, namelijk dat knoeiers in Amsterdam zonder reden een belangrijk onderzoek naar de georganiseerde misdaad hebben afgeblazen, is op dit moment niet mogelijk. Dat staat gelijk aan het met een roeibootje proberen een tanker uit de haven te trekken. Maar het is nog altijd mogelijk dat in de loop van de tijd een iets genuanceerder beeld ontstaat”.

Hebt u gedacht dat de commissie Wierenga uw optreden zou goedkeuren?

“Toen ik als nummer 35 bij de commisie werd geroepen wist ik dat ze zich al een bepaald beeld hadden gevormd. Ik merkte het in het verhoor aan de vraagstelling. Als de commissie de Amsterdamse IRT'ers eerder zou hebben gehoord, had het onderzoek misschien een heel ander verloop gehad. De commissie had duidelijk de opvatting dat er sprake was van een complottheorie: die eigenwijze Amsterdammers hadden het IRT willens en wetens opgeblazen. Al voordat het rapport werd gepubliceerd heb ik aan anderen voorspeld dat de kritiek op ons zou neerkomen.”

Hebt u zelf overwogen op te stappen?

“Nee.”

Hoe was uw functioneringsgesprek met de minister van justitie?

“We hebben echt heel openhartig met elkaar gesproken. Vastgelegd is dat het geen functioneringsgesprek was in rechtspositionele zin maar een gesprek over het functioneren. Maar het waren pittige gesprekken. Want na het rapport Wierenga had de minister nog steeds niet met mij gesproken. Ook niet voorafgaande aan het Kamerdebat waarin hij zei dat de IRT-zaak voor mij niet zonder consequenties zou blijven. Dat was een verrassing. Maar uiteindelijk hebben we gezegd dat we vertrouwen in elkaar hadden”.

Is het werken met informanten en infiltratie in Amsterdam nu helemaal van de baan?

“Ik heb altijd gezegd dat ik volstrekt geen moeite heb met infiltratie. Maar het gaat onder meer om de proportionaliteit. Als je met zwaar geschut een toilethuisje in elkaar knalt, kan je beter een handgranaat gebruiken. Stel dat je de topman van alle criminele organisaties in Nederland kunt pakken door 5.000 kilo cocaïne in te voeren dan moet je het doen. Maar in het IRT-onderzoek mikte men op middelmatige criminelen en was het zeer de vraag of men ook bewijzen tegen de top kon verzamelen.”

Hoe is nu de samenwerking met uw justitie-collega's in het ressort?

“We hebben drie weken geleden met zijn allen op de hei gezeten. Je kan niet verwachten dat er niets meer aan de hand is. Als je daverende ruzie met je buurman hebt gehad, duurt het even voordat het als vanouds is. Maar we gaan zakelijk met elkaar om.”

De collegiale verhoudingen zijn de laatste maanden verder verstoord door het permanent lekken van zeer geheime informatie. Hoe hebt u dat ervaren?

“Zo geheim was die informatie niet. Als je uit gaat zoeken hoeveel mensen erover beschikten dan stuit je op een olievlek. Er gingen vaak standaard afschriften van stukken naar Haarlem, het kabinet van de PG en het departement. Maar ik heb er niets van begrepen hoe het lekken ging.”

Wierenga stelde vast dat u tijdens het onderzoek contacten met de pers had.

“Dat lag anders. Ik heb verslaggever Middelburg van Het Parool in gesprekken tweemaal van publikaties over de misdaadbende die we onderzochten weten af te houden. Ik heb trouwens gehoord dat Middelburg in zijn verhoor bij de rijksrecherche mijn lezing heeft bevestigd. De suggestie van Wierenga dat ik heb gelekt, is dan ook onbehoorlijk en grievend.”

Procureur-generaal Van Randwijck heeft gezegd dat Amsterdam een “gebaar” moet maken om samenwerking in de toekomst mogelijk te maken. Wat vindt u?

“Je moet oppassen in het koppensnellen terecht te komen. Een gebaar kan er ook uit bestaan dat je coöperatief en inschikkelijk met elkaar werkt en dat gebeurt nu. Ik geloof niet in sancties, je kunt beter met zalf dan met zout werken.”

We hebben begrepen dat vier Amsterdamse officieren van justitie op het punt staan te vertrekken. Zo heeft IRT-officier Van Capelle gesolliciteerd naar de functie van plaatsvervangend PG in Leeuwarden. Is er zoveel tweespalt ontstaan?

“Als parket fungeren wij als kweekvijver voor de rest van het land. Er zijn nu overal vacatures die voor betrokkenen een belangrijke promotie betekenen. Van Capelle heeft op uitnodiging van Leeuwarden gesolliciteerd en gelijk heeft hij. Laat het maar stromen. Als een vijver stilstaat krijg je drab onderin.”