Iedereen weet weer wat cultuur is

Als het christendom zou verdwijnen, verdwijnt onze hele cultuur. Dan moeten we van voren af aan beginnen en weer eeuwen van barbaarsheid doorstaan. Wij zullen die nieuwe cultuur niet meer meemaken, maar we zouden ons er toch niet in thuis voelen.

John Cowper Powys: The Meaning of Culture W.W. Norton (1929/1979)

T.S. Eliot: Notes towards the Definition of Culture, Faber & Faber (1948/1963), ƒ 29,95 (pbk)

In de jaren zestig en zeventig gonsde het van begrippen als De Maatschappij en De Maatschappelijke Structuren die bovendien omvergeworpen of radicaal veranderd moesten worden. Over cultuur werd nauwelijks gesproken of geschreven, want dat zou een vaag en moeilijk te omschrijven fenomeen zijn. In deze merkwaardige periode die door 'links' en 'progressief' denken werd beheerst, meende een enkeling zelfs dat cultuur een bedenkelijk begrip was. Het zou bij een conservatief, zoniet reactionair denken horen, al was het alleen al omdat cultuur niet losgedacht kon worden van traditie, gezag en andere toen politiek onwelgevallige zaken.

De ironie wilde dat in de jaren tachtig - toch doorgaans aangeduid als een decennium van no nonsense - ineens begrippen als cultuur en cultuuromslag gemeengoed werden. Politici, journalisten, managers in de publieke en in de private sector, bedrijfskundigen, bestuurskundigen en soortgelijke deskundigen ruilden als het ware maatschappij in voor cultuur en maatschappijhervorming voor cultuuromslag.

Nu, in de jaren negentig, hoeft cultuur niet meer gedefinieerd te worden. We schijnen te weten wat het begrip aanduidt. Het is maatschappelijk en politiek aanvaard en draagt al de kenmerken van een gemeenplaats: te pas en te onpas gebruikt, wat betekenis betreft even krachteloos als de munten van een inflatoir geldsysteem.

Wellicht is het een wat romantische opvatting maar naar mijn mening doen we er verstandig aan om, wanneer bepaalde woorden aan ernstige inflatie lijden, bij dichters te rade te gaan. Zij immers zijn bij uitstek de virtuozen van het woord, zij weten met betekenissen te spelen, zij vooral nemen geen genoegen met het geestdodend herhalen van clichés. Integendeel, dichters spelen met gemeenplaatsen een spel door ze te ironiseren of op ongebruikelijke manier te gebruiken.

Als dichters het over cultuur hebben, dan zal dat, zo mogen we van hen verwachten, positief afwijken van het gepalaver en geschrijf over bedrijfscultuur en cultuuromslag in de wetenschap, in de journalistiek en in de praktijk van de organisatie-adviseurs. En zou dat soms inhoudelijk niet eens het geval zijn, dan steekt in ieder geval hun taalgebruik in positieve zin schril af bij het meestal onesthetische en platte schrijven en praten van de gemiddelde cultuurgoeroe.

Twee boeken springen hier meteen in het oog en zij vullen elkaar bovendien prachtig aan: John Cowper Powys' essay The Meaning of Culture, dat hoofdzakelijk psychologisch redeneert en T.S. Eliot's Notes towards the Definition of Culture, waarin meer sociologisch geargumenteerd wordt. Beide boeken zijn virtuoos en mooi geschreven, maar het verschil in argumentatiestijl is opvallend.

Eliot speelt de rol van erudiete intellectueel en wil de lezer door middel van rationele argumenten overtuigen. Powys blijft trouw aan zijn magische wereldbeschouwing en tracht zijn lezers te betoveren. Ook als hij evidente onzin schrijft, blijft hij boeien. Sterker nog, hoe onzinniger zijn gedachten en evocaties zijn, hoe fascinerender hij wordt! Eliot daarentegen kan de zwaktes en flauwtes in zijn essay met moeite verbloemen en het zijn dan ook zijn zwakke passages die al gauw danig gaan irriteren. Powys is de woorddronken en dionysische sjamaan, Eliot de deftige, meer apollinische erudiet. In Powys' essay zindert het heidendom en lopen religie en magie in elkaar over. Eliot, die overigens niet naar Powys verwijst, zou dit ongetwijfeld als barbarij en verwildering opvatten. Cultuur is voor hem in de eerste plaats Westerse, Europese en dan vooral christelijke cultuur.

Esthetisch gezien is Powys de sterkere. Zijn woordenroes lijkt op die van Nietzsche. Het is niet moeilijk hem op tegenspraken te betrappen, maar daar heeft de lezer nauwelijks zin in. Net als bij Nietzsche wordt taal hier muziek en nemen de melodieën en ritmes de geest in beslag. De lezer wordt als het ware gegijzeld. Dat gebeurt niet bij Eliot, althans niet in dit essay over cultuur dat de onafhankelijkheid van de lezer respecteert. Eliot wil hier niet overrompelen maar overtuigen. In zekere zin heeft hij daarom wat inhoud betreft meer te bieden dan Powys.

In het korte woord vooraf waarschuwt Powys ervoor cultuur te vereenzelvigen met de academische parafernalia van opvoeding en scholing. Hij is het eens met de simpele omschrijving van cultuur als alles wat overblijft nadat je vergeten bent wat je allemaal hebt geleerd en aangeleerd.

De wereld is volgens Powys één grote tovertuin, waarin van alles te beleven en te ervaren valt. Een chaotische vloed van impressies en ervaringen rolt over ons heen - een betekenisloze massa waaruit we moeten selecteren. Uiteindelijk is het de traditie die ons daarbij te hulp komt. Het overgeleverde cultuurgoed is zelf al een beperkte selectie uit de immense hoeveelheid aan ervaringen, gedachten en emoties die een mens zou kunnen beleven en ondergaan. Maar wat overgeleverd wordt, ligt besloten in woorden - woorden die zo aan beelden en gevoelens zijn vastgeklonken, dat we vergeten dat ze maar woorden zijn. Die vormen een 'namaak-cultuur en een pseudo-deftigheid'.

Daarom moet naar de ware cultuur gezocht worden. Die bestaat volgens Powys uit het innerlijke vermogen om los van het overgeleverde en aangeleerde en dus los van de maatschappij en de instituties, als in een roes van belevingen, de magie van de tovertuin te blijven ervaren. Dat kan alleen in de harmonie van intellect, verbeeldingskracht en zintuigen: “Wat cultuur voor ons moet doen, is het wegvegen van die korst van alledaagse gemeenzaamheid die ons blind maakt voor de opwindende betovering van het leven, en ons opnieuw baden in de lichtgevende bassins van het leven”. Waar cultuur, deze innerlijke vitaliteit die zich losmaakt van wat is overgeleverd, ons in haar macht heeft, ontstaat geluk, innerlijke harmonie en onafhankelijkheid, ware vrijheid.

Zou religie ons dat bieden, dan zou deze innerlijke cultuur niet nodig zijn. Maar religie is evenals wetenschap en politiek vastgelopen in verschillende tradities en in tal van fanatismen. We leven in een tijdperk van culturele chaos met als gevolg dat er nimmer zoveel dogmatische gidsen zijn geweest die ons vertellen wat we moeten denken, voelen en doen. Cultuur moet, als ze iets te betekenen heeft, ons daarvan vrijwaren.

Hoe gaat dat in zijn werk? Hoe weerstaan we de druk van de tot traditie en fanatisme verworden werkelijkheid om er de magie van te kunnen blijven ervaren? Wolf Solent, de hoofdfiguur uit de gelijknamige roman, heeft er een techniek voor ontwikkeld die hij “sinking into his soul” noemt - een in zichzelf keren en een speuren naar een onbewuste, magnetische kracht die in verbinding staat met de kosmos. Het resultaat is een soort psychedelische roes die zonder het gebruik van verdovende middelen een intense gelukservaring teweeg brengt: “Terwijl Wolf doorliep, maakte zich een buitengewoon geluk van hem meester. Hij leek plezier te putten uit de louter mechanische prestatie om de ene voet voor de andere te zetten. Het scheen hem een kostelijk voorrecht toe om alleen maar zijn laarzen in de natte modder te voelen wegzakken en enkel om de vlagen koude lucht tegen zijn gezicht te voelen blazen.”

In The Meaning of Culture noemt Powys dit de kunst van het vergeten - een kunst die het hart van cultuur is. Voortdurend worden we geconfronteerd met tal van verschrikkingen - vooroordelen, fanatismen, platitudes, leugens. Cultuur is de techniek om deze verschrikkingen te zien zonder ze te zien, te horen zonder ze te horen, te ruiken zonder ze te ruiken, te proeven zonder ze te proeven. In het alledaagse sociale leven lopen we er voortdurend tegenop. Cultuur maakt het ons mogelijk ze weg te denken, de onschuldige techniek te ontwikkelen om een schijnbaar intense belangstelling aan de dag te leggen voor wat mensen zeggen, en intussen aan iets anders, iets moois en fascinerends, te denken - iets dat met die mensen in het geheel niet is verbonden.

De bron van deze innerlijke cultuur is niet aangeleerd, is ook niet rationeel en bewust. Zij is volgens Powys een daimon, een puur individuele kracht in ons die noch tot onze erfelijkheid noch tot onze omgeving behoort - “wijzer dan ons diepere bewustzijn, wijzer dan de rationele processen van onze cultuur”. Hier zien we dat Powys' dieptepsychologische definitie van cultuur gnostisch is, want die demon in ons is uiteindelijk niets anders dan de goddelijke vonk van het manicheïsme die ons door de verschrikkingen van de werkelijkheid heen kan leiden in de richting van de verlossing. Deze vonk, niet de één of andere Openbaring, ook niet de één of andere Verlichting, is de enige kracht die ons tot waarheid, vrijheid en geluk kan brengen. Inderdaad, The Meaning of Culture is een door en door gnostisch en dus heidens manifest. Daar steekt Eliot schril bij af.

Op de titelpagina van Notes towards the Definition of Culture laat Eliot het volgende drukken: “definition: 1. the setting of bounds; limitation (rare) - 1483. Oxford English Dictionary.” Wat Powys verwerpt, plaatst Eliot in het centrum: cultuur is een beperking van alternatieven, zet grenzen. Die grenzen zijn volgens Eliot religieus van aard.

Het woord cultuur wordt te pas en te onpas gebruikt en Eliot acht het zijn “hoogste ambitie om dit woord te redden.” Maar hij wil meer redden dan het woord. Naar zijn mening zijn de standaarden voor cultuur in de tijd waarin hij het essay schrijft lager dan ze vijftig jaren terug waren: “De bewijzen van deze culturele achteruitgang zijn zichtbaar op alle levensterreinen.” Het is heel wel mogelijk dat we op weg zijn naar een samenleving zonder cultuur, of met een volslagen gedegenereerde cultuur. Want dat er tussen hogere en lagere culturen onderscheiden kan en moet worden, staat voor hem vast. Met zijn essay wil hij bijdragen tot het redden van de hogere cultuur. Overigens is hij van mening dat daar geen instrumenten voor bestaan, want cultuur en dus ook haar redding kun je niet organiseren: “Cultuur is de enige kwaliteit waar we niet bewust naar kunnen streven.”

Cultuur kunnen we op drie niveaus beleven en waarnemen: dat van het individu, dat van de groep of klasse en dat van de maatschappij als geheel. Aangezien er een hiërarchie tussen de drie bestaat - het individu is afhankelijk van de groepscultuur, de groep van de maatschappelijke cultuur - moet een bespreking van cultuur bij het derde niveau, dat van de samenleving als geheel, inzetten. Eliot beseft dat het daarom noodzakelijk is sociologie te bedrijven.

Over de definitie doet hij niet moeilijk: “Het omvat alle kenmerkende activiteiten en alle interesses van een volk.” Het is meer dan de som van activiteiten: “een manier van leven”. Cultuur is wat een individu tot individu, een groep tot groep en een maatschappij tot maatschappij maakt. Voor de Britten wil hij dat wel even opsommen: “De dag van de Derby, de Henley Regatta, Cowes, de Twaalfde augustus, een Cup Final, de windhondenrennen, de flipperkast, Wensleydale kaas, in repen gesneden gekookte kool, rode biet in azijn, negentiende-eeuwse gotische kerken en de muziek van Elgar. De lezer kan zijn eigen catalogus maken.” Opvallend is hoe 'down to earth' Eliots opvatting over hogere cultuur is.

Belangrijker vindt hij het om de kern van deze cultuur aan te geven. Niet taal maar godsdienst is er volgens hem de essentie van, zozeer dat cultuur en religie niet te scheiden zijn: “Bisschoppen maken deel uit van de Engelse cultuur, paarden en honden van de Engelse religie.” We zijn ons doorgaans niet bewust van deze twee-eenheid, temeer niet omdat er op het bewuste niveau van de maatschappelijke organisatie wel degelijk spanningen en tegenstellingen tussen cultuur (de staat) en religie (de kerk) kunnen ontstaan. Overigens is Eliot meer beducht voor het ontstaan van een neutrale cultuur, waarin dit soort spanningen en tegenstellingen geheel ontbreekt: “Een tijd van culturele nivellering”, gekenmerkt door “culturele debiliteit”.

Want dit is toch wel opvallend in Eliots essay: het ontwerpt geenszins een wat braaf-christelijke, sociale filosofie op basis van een simpel harmoniemodel. Integendeel, naar zijn mening moet een cultuur het juist van spanningen en tegenstellingen hebben en de belangrijkste acht hij die van klassestructuur en van regio's. Om vitaal te zijn heeft een cultuur elites nodig die onderling niet al te veel verbrokkeld zijn. Ook kunnen regionale verschillen leven in de culturele brouwerij brengen. Ze mogen best gecultiveerd worden. Overigens rept hij nauwelijks van stedelijke culturen.

In een appendix beantwoordt hij de vraag wat de eenheid van de Europese cultuur zou kunnen zijn. Hoe je het ook wendt of keert, of je nou gelovig of ongelovig bent, je kunt historisch gezien niet ontkennen dat het christendom en de christelijke tradities de dominante factoren vormen die aan de Europese cultuur gezicht en structuur geven. Hij had er natuurlijk het jodendom en de antieke cultuur aan toe moeten voegen, maar heeft niet ongelijk als hij opmerkt dat al onze gedachten slechts betekenis krijgen tegen de achtergrond van het christendom: “Alleen een christelijke cultuur zou een Voltaire of een Nietzsche kunnen hebben voortgebracht.” Een volledig verdwijnen van het christelijke geloof zou de Europese cultuur niet kunnen overleven.

Even trekt Eliot hier de profetenmantel aan. Zijn woorden krijgen extra gewicht in het zicht van de radicale secularisering die zich in de afgelopen decennia in Europa heeft voltrokken. “Als het christendom verdwijnt, verdwijnt heel onze cultuur. Dan moeten we moeizaam opnieuw beginnen en een nieuwe cultuur kunnen we ons niet kant en klaar aanmeten. Eerst zal het gras moeten opkomen waarop de schapen kunnen grazen voordat de wol er is waaruit onze nieuwe jas kan worden geweven. We moeten vele eeuwen van barbaarsheid doorstaan voordat het weer zover is. Wij zullen het niet beleven die nieuwe cultuur te zien, noch onze achter-achterkleinkinderen. En als we dat al zouden meemaken, zou geen van ons zich er in thuis voelen.”

Of zouden de mensen het dan met het heidense manicheïsme van Powys moeten doen?